Tagarchief: kleuren

Een kleine boottocht

Blauw, blauw, alles leek wel blauw
blauw als chalcophyrite
Dus met goud
Goud dat geen goud was maar toch alles doordrong:
het water, de lucht, het langzaam aflopend zand,
zelfs de branding
Ik lachte en dacht:
Nou, met een beetje zilver dan. Lees verder

Nelis de Felle

Nelis de Felle

Toen de gendarmerie kwam om Nelis de Felle op te halen was het niet om het een of het ander. Het was om allebei.
‘Ge moogt blij zijn dat ik allenig een diskoers hou..’, zo begon de Felle terwijl een van de agenten, de langste van de twee, zijn polsen in de boeien sloeg.
‘Ge moogt blij zijn da ik mijn bijl niet grijpen kan.’ Hij zette zijn laars dwars achter de eiken deurstijl naar zijn atelier.
‘Alei zunne, maak een bietje voort’, zei de kleine agent en de lange:
‘Laat ‘m maar partijen. Hij wordt seffens van eigens tranquille. Als ie z’n klep heeft kunnen roeren. Ge zult het zien en beleven en meemaken. Zo is’t. Wat is’t jongen?’
‘Wat heb ik nou weer gedaan?’
‘Witte gij da nie? Dat hebben we oe al zo vaak aan de bolle kop proberen te peuteren: dat OnzeLieveHeer het allemaal veel beter kan. Dat ge niet moet proberen daar van alles over heen te smeren. De pastoor heeft het allemaal duidelijk uitgelegd op de preekstoel. Ge waart erbij. Zelfs gij waagt ‘t niet voor ‘t kruiske naar de stamminee af te zakken. Al heb je het wel geprobeerd. De gardist heeft z’n piek moeten laten zien, niet dan?’

‘Moet ik dit geleuter aanhoren?’ Nelis de Felle trok zijn laars weg uit de deuropening. De agenten zagen het.
‘Ge weet heel goed dat ge niet alles ondersmeren meugt gelijk een koter in de boks. Ziede dan niet dat zelfs bidprentjes verbleken. En da’s dan nog voor OnzeLieveHeerke gedaan.’ Terwijl hij Zijn naam uitsprak sloeg de lange agent een kruis. De ander was bij de voordeur gaan staan, klein van gestalte, wijdbeens, buik vooruit, de armen op de rug. Een van de koperen knopen op zijn uniformjas ontbrak, een andere bungelde nog aan een draadje.
‘Ik smeer godver niet alles onder. Weet u dat ik soms wel drie dagen nadenk over een streep?’
‘Ja, we weten heel goed dagge wel vloeken kunt, maar nie warken. Dagge nergens voor deugt. Maar da’s het ergste niet. Dat komt meer voor: Sjanneke van Teteringen hebben ze ook nooit koeien melken leren kunnen. En Driek van den Krommenoek moeten ze allemaal wegslaan van ‘t werk. Die zou z’n eigen poten nog breken als ie daarvoor niks anders had.’ De kleine agent viel hem bij:
‘Mientje he’m ze naar De Leur motte brengen. Die begreep niks nie meer. Die was d’r kop maar aan het pijnigen. Motte gij ook naar De Leur? Drie dagen over een streep doen. Dat geprakkiseer is nergens goed voor.’

Nelis de Felle stond nu midden in het vertrek, een kleine donkere kamer met als wanden houten kastdeuren, bergruimte genoeg. Er brandde een kaal peertje boven de wormstekige bruine tafel. Een korst brood, een stuk spek en een mes lagen er op. Aan een zijde, tussen twee kastdeuren, gloeide in een slordig gemetselde open haard het vuur van de afgelopen nacht na. Nelis keek naar het glaswerk dat daarin stukgegooid lag en dat in kleuren paars en groen transparant vervloeide. De lange gendarme, duidelijk de superieur, zat op een van de twee stoelen rond de tafel, zijn jasje open zodat rechts een pistool te zien was en links zijn wapenstok en een extra paar boeien. Hij voelde onophoudelijk aan het driehoekige lemmet van het broodmes op tafel als om te controleren of het tijdig gewet was.

‘Kijk dan naar dat glas in de schouw. Dat ligt daar maar en krijgt vanzelf de prachtigste kleuren.’ Nelis de Felle vond het argument goed gevonden. Twintig jaar geleden had hij zich in de Kempen op een afgelegen watermolen die op instorten stond gevestigd, al die tijd er op uit het eenvoudige leven van de bevolking over te nemen. Maar hij had natuurlijk zijn stadse ideeën niet af kunnen leren.
‘Dat glas, ja. Dat zie ik ook, smerige rommelmaker. Dat is de hand van OnzeLieveHeerke. Da motte gij niet beter willen doen. Dat kunde niet. En waarom niet? Omdat gij ‘ne mens bent, niet God. Kunde gij dat gras daar zo groen maken en het hooi als het droogt zo geel? En denkte wel dat oe pinksterbloemen beter zijn en dat ge de meidoorns van de processie niet nodig hebt? Het houten kruis van Christus heb ik oe nog nooit zien maken. Ge verft over wat OnzeLieveHeer bedoelde. En gij denkt da dat zo maar kan? We hebben oe vaak genoeg gewaarschouwd. En nou, allai vort, nou moet ‘den justies’ het verder maar afhandelen.’
‘Wat ik maak doe ik in het besef van mijn nederigheid!’, probeerde Nelis de Felle nog. De oppergendarme stond op, de kleine deed zijn voeten bij elkaar, liep en greep Nelis de Felle bij de mouw van zijn linnen jasje. Naar de kraag reiken probeerde hij niet eens.

Nelis werd voorgeleid bij het Parket in Antwerpen. Daar oordeelde de rechter dat de Felle nog niet helemaal verloren was. De rechter beval hem de watermolen te herstellen en zijn inkomen te verdienen met het malen van graan en het wassen van schapenwol. Voorts werd hij verplicht lid te worden van de Kempische Carnevalsvereniging, voor het opschilderen van de praalwagens, want:
‘Tot het askruske kijkt OnzeLieveHeer even de andere kant op. Dan danst de fabrikant zelfs met wie nog niet met de slacht te eten heeft.’

Amca Comperen