Tagarchief: kladderklasje

wat in/ met de schrijfgroep, die vanaf 2007 regelmatig bij elkaar komt, verzonnen en geschreven wordt

Het optreden

1- Goh, ik ken je niet.
2- Nee, ik jou ook niet.
1- Hoe kom je hier zo verzeild?
2- Nou, ik liep hier even in het park, want ik hoorde dat er verderop een band optreedt. Weet jij misschien of ze al bezig zijn? Lees verder

De spanningsboog

De spanningsboog (met dank aan Mireille Geus)

A. Handelingen
B. Gedachten
C. Flash back
D. Non-verbale confrontatie
E. stilte voor de storm, inzoemen op een detail
F. Confrontatie.
G. Einde

Het misverstand Lees verder

Bord

Het is rond, zo rond als de aarde van verre.
Als je er op staat lijkt het plat, een vlak met een horizon.
Hoe klein moet een mannetje zijn dat op niet meer dan 30 centimeter rondom die horizon ziet?
Het mannetje staat op kleine, hele kleine schaatsjes en volgt weggetjes, pleintjes. Die komt hij tegen bij verwoede pogingen naar die horizon te schaatsen. Telkens glijdt hij terug naar een baan, die in zichzelf uitkomt.
Het blauw moet hij vermijden. Onder het blauw ligt diep water waarin hij verdrinken zal. Dat is hem verteld en omdat hij een gehoorzaam mannetje is zou hij nooit, maar dan ook nooit proberen of het waar is. Het is waar, het is zijn geloof.
In concentrische cirkels lopen de wegen die hij wil oversteken om de horizon te bereiken. Daartussen liggen verhalen over voorouders.En in oranje heuveltjes bewaren zij voedsel waarmee hun kinderen en kindskinderen overleven kunnen. Het mannetje proeft en het smaakt tomaat, ananas en mandarijn. Dat komt omdat hij zo hongerig is.
Maar zijn droom is over de blauwe horizon te komen.

Een kleine boottocht

Blauw, blauw, alles leek wel blauw
blauw als chalcophyrite
Dus met goud
Goud dat geen goud was maar toch alles doordrong:
het water, de lucht, het langzaam aflopend zand,
zelfs de branding
Ik lachte en dacht:
Nou, met een beetje zilver dan. Lees verder

Het zoutmeer

Rozemarijn liep op het lange lege zandstrand. Eindeloos en nog veel verder golfde het verlaten land voor haar uit. Maar Rozemarijn zelf was niet verlaten. Achter haar liep Jasmijn die witte zoetgeurende bloemen uitstrooide, bloempje voor bloempje. Gelukkig was het windstil. Naast Jasmijn liep Sable d’Or. Eigenlijk heette hij Henk, maar ‘Sable d’Or’ vonden ze mooier. Zeker nadat Henk aan het begin van hun tocht, daar waar het zand aan de palmen grenst, een gigantische woestijnroos vond. Hoe die daar terecht gekomen was, Joost mag het weten, want de plek lag uit de wind. Iemand moest het gevaarte daar neergelegd hebben. Rozemarijn liep voorop want, zo zei ze:
‘Ik weet hoe je lopen kan om aan het grote meer te geraken.’ Af en toe deed ze haar hand boven de wenkbrauwen en na anderhalf uur riep ze: ‘Ja, daar!’
’Jeetje, had je niet van te voren kunnen zeggen dat het zo ver zou zijn? Ik had een behoorlijke partij bloemen bij me. En kijk nou eens.’ Jasmijn hield de mand van fijngevlochten palmblad open.
‘Er is nog genoeg over om er een welkomsbegroeting van te maken, als zo dadelijk het grote meer aan onze voeten ligt’, zei Sable d’Or. Hij verpulverde er een tussen zijn vingers. ‘Lekker’, zei hij.

Ze baggerden nog een knap kwartiertje door en geraakten aan het uitgestrekt meer. Zo groot, het had makkelijk een zee kunnen zijn. Het meer had een chagrijnige bui, behoorlijk chagrijnig kan je wel zeggen. Het bewoog niet. Het staarde hen met ijzige ogen aan, wit ook, helemaal wit.
‘Hallo meer’, zei Rozemarijn, ‘Wij komen van onder de palmen vandaan en zijn toe aan een opfrisser.’ Voor de voeten van Rozemarijn verschoot het meer van kleur, werd van ijzig lichtblauw rose.
‘Kijk, hij bloost’, zei Jasmijn en strooide een paar bloempjes op de zilte blos. Nu klonk er een gekraak. het meer opende zijn mond. Een klein mondje, maar toch. In die mond zagen ze het azuurblauw dat je van water verwacht. Sable d’Or wilde er meteen in, maar Jasmijn hield hem tegen.
‘Ik ga’, zei ze, ‘maar eerst nog een paar bloemen. Dat deed ze. En verder opende het meer de mond. Er kwam uit zijn keel een visje bovendrijven, een piepklein blauw visje met een rond lijfje en grappige klein zwemvinnetjes. Het piepte:
‘ Niet doen. Ga weg. anders wordt je net zo blauw als ik. Ik lijk wel een vis, maar ik ben al lang een bootje geworden. Ik kan alleen maar schelpjes overvaren.’
‘Maar wij kunnen toch zwemmen’, zei Sable d’Or.
‘Nou, dan moet je het zelf maar weten’, zei het bootvisje. ‘Hier, dit zal je nodig hebben.’ Het visje spuwde een miniatuurhandje van Fatima uit.
‘Kijk dan’, zei Rozemarijn. Ze nam het handje van het zand in haar hand. ‘Alles wordt hier hard. Niet alleen het meer, ook het gelukshandje is helemaal van metaal geworden. Laten we gaan, voor dat wij in zoutpilaren veranderen.’

Maar Jasmijn lachte hard en sprong zo pardoes in de blauwe mond van het meer. ‘Joehoe’, ze zwaaide met haar armen terwijl ze verder in het water weggleed. Toen verdween ze in de diepte.
‘Nu moet jij’ zei Rozemarijn, ‘Jij bent een man, dus jij moet er achter aan. En trouwens, het is jouw vriendin.’
‘Ja, ja, geëmancipeerd, behalve als de nood aan de man komt. Dan is het ‘help, help’.’ Het gekibbel tussen die twee nam een aanvang. Het liep hoog op, want eigenlijk mochten ze elkaar al niet zo. Nou ja, schandelijk. Ze vergaten helemaal dat Jasmijn in de diepe donkere mond van het meer lag te verdrinken. Wie weet wat er met haar gebeurde. Het viel mee, hoewel dat niet een hen lag. Jasmijn kwam boven op een grote lichtblauwe bootvis. Die had precies dezelfde kleur als het water. Precies de maat van Jasmijn ook. Ze sleurden Jasmijn van de vis op het zand, want ze bewoog niet. Ze wreven haar schoon, met bloempjes. Dat hielp. Toen ze de vis bedanken wilden, was die verdwenen. Het chagerijnige meer had zijn mond gesloten. – -

De vrijheid in het veld te lopen

 

Op een ochtend werd ik wakker en waren de gordijnen voor de ramen verdwenen. Ik ging rechtop zitten en zag ook geen ramen. Ik probeerde de dekens van me af te werpen maar die waren er niet. Ik greep in de vacht op mijn poten. Mijn poten over de bedrand, het kon niet. Ik ging op handen en voeten zitten en keek over de rand van mijn bed, zo door de grassprieten, een madeliefje hing over de rand. Boven mij zag ik het lover van een hazelaar.
De wind tekende met het blad patronen op de grond. Het was licht en blauw door het blad. De zon scheen en ik zat goed verborgen. Maar niet voor lang. Door het verse groene gras naderde een zwarte haas. hij had een pet op en een jas met koperen knopen aan. Toen hij bij mijn hol stond zei hij:
‘In naam van de gezamenlijk gekozen opperhaas beveel ik u mij uw vergunning voor de bewoning van dit leger te laten zien. Alle hazen moeten voorts een betalingsbewijs van het woonrecht, het ligrecht, het poeprecht, het afvoerrecht en het eetrecht laten zien, alsmede het bewijs dat het taxatiepapport klopt met de plek die de haas inneemt,’
‘O, zei ik, ‘Ik ben hier pas en- moet er nog aan wennen dat u het zo goed op orde heeft, hier allemaal. Waar ik vandaan kom, daar kon je zo in een huis trekken. Je rommelde wat met andere hazen, vooral met wie je aardig vond, en dan was het geregeld.’

De zwarte haas graaide in de binnenzak van zijn jas en haalde daar en zilverkleurig fluitje uit, waarop hij drie keer hard blies. Van twee kanten kwamen er hazen aan, allemaal in zwarte jas met koperkleurige knopen,
‘Code vijf’, zei de haas met de pet en de andere hazen bonden mijn poten samen.
‘Ja, kijk’, zei een dikke haas. Hij ging voor me staan en leek langzaam te groeien. ‘Ja, kijk’, zei hij, ‘u moet zich dat niet persoonlijk aantrekken. Maar regels zijn regels. In het kader van de preventiewet zijn wij verplicht u tijdelijk in de boeien te slaan. Het stelt niets voor en als alles in orde blijkt -en we nemen aan dat dat zo is- kunt u straks weer gaan en staan waar u wilt. Misschien is uw leger er nog.’

Vier hazen sleepten me weg en legden me neer onder een grote eik. Ik keek naar boven en zag een eekhoorn en een specht allebei kwaad naar me kijken.
‘Wij wonen hier. Wat kom jij hier doen? Een haas rent over de velden. Die gaat hier niet onder een stam liggen wachten tot een jager hem in de gaten heeft.’ De andere hazen waren al lang verdwenen.
‘Waar hebben jullie leren praten?’ vroeg ik de eekhoorn en de specht.
‘Stel geen dwaze vragen,’ zei de eekhoorn.
‘Goed’, zei ik, ‘dan nu een verstandige vraag: kunnen jullie mij losmaken?’
‘Makkelijk zat’, zei de specht, die op de touwen waarmee ik gebonden was neerdaalde en ze al aan het kapotpikken was. Toen de specht daarmee klaar was kon ik mezelf bevrijden.