Categorie archief: Verhalen

Nelis de Felle

Nelis de Felle

Toen de gendarmerie kwam om Nelis de Felle op te halen was het niet om het een of het ander. Het was om allebei.
‘Ge moogt blij zijn dat ik allenig een diskoers hou..’, zo begon de Felle terwijl een van de agenten, de langste van de twee, zijn polsen in de boeien sloeg.
‘Ge moogt blij zijn da ik mijn bijl niet grijpen kan.’ Hij zette zijn laars dwars achter de eiken deurstijl naar zijn atelier.
‘Alei zunne, maak een bietje voort’, zei de kleine agent en de lange:
‘Laat ‘m maar partijen. Hij wordt seffens van eigens tranquille. Als ie z’n klep heeft kunnen roeren. Ge zult het zien en beleven en meemaken. Zo is’t. Wat is’t jongen?’
‘Wat heb ik nou weer gedaan?’
‘Witte gij da nie? Dat hebben we oe al zo vaak aan de bolle kop proberen te peuteren: dat OnzeLieveHeer het allemaal veel beter kan. Dat ge niet moet proberen daar van alles over heen te smeren. De pastoor heeft het allemaal duidelijk uitgelegd op de preekstoel. Ge waart erbij. Zelfs gij waagt ‘t niet voor ‘t kruiske naar de stamminee af te zakken. Al heb je het wel geprobeerd. De gardist heeft z’n piek moeten laten zien, niet dan?’

‘Moet ik dit geleuter aanhoren?’ Nelis de Felle trok zijn laars weg uit de deuropening. De agenten zagen het.
‘Ge weet heel goed dat ge niet alles ondersmeren meugt gelijk een koter in de boks. Ziede dan niet dat zelfs bidprentjes verbleken. En da’s dan nog voor OnzeLieveHeerke gedaan.’ Terwijl hij Zijn naam uitsprak sloeg de lange agent een kruis. De ander was bij de voordeur gaan staan, klein van gestalte, wijdbeens, buik vooruit, de armen op de rug. Een van de koperen knopen op zijn uniformjas ontbrak, een andere bungelde nog aan een draadje.
‘Ik smeer godver niet alles onder. Weet u dat ik soms wel drie dagen nadenk over een streep?’
‘Ja, we weten heel goed dagge wel vloeken kunt, maar nie warken. Dagge nergens voor deugt. Maar da’s het ergste niet. Dat komt meer voor: Sjanneke van Teteringen hebben ze ook nooit koeien melken leren kunnen. En Driek van den Krommenoek moeten ze allemaal wegslaan van ‘t werk. Die zou z’n eigen poten nog breken als ie daarvoor niks anders had.’ De kleine agent viel hem bij:
‘Mientje he’m ze naar De Leur motte brengen. Die begreep niks nie meer. Die was d’r kop maar aan het pijnigen. Motte gij ook naar De Leur? Drie dagen over een streep doen. Dat geprakkiseer is nergens goed voor.’

Nelis de Felle stond nu midden in het vertrek, een kleine donkere kamer met als wanden houten kastdeuren, bergruimte genoeg. Er brandde een kaal peertje boven de wormstekige bruine tafel. Een korst brood, een stuk spek en een mes lagen er op. Aan een zijde, tussen twee kastdeuren, gloeide in een slordig gemetselde open haard het vuur van de afgelopen nacht na. Nelis keek naar het glaswerk dat daarin stukgegooid lag en dat in kleuren paars en groen transparant vervloeide. De lange gendarme, duidelijk de superieur, zat op een van de twee stoelen rond de tafel, zijn jasje open zodat rechts een pistool te zien was en links zijn wapenstok en een extra paar boeien. Hij voelde onophoudelijk aan het driehoekige lemmet van het broodmes op tafel als om te controleren of het tijdig gewet was.

‘Kijk dan naar dat glas in de schouw. Dat ligt daar maar en krijgt vanzelf de prachtigste kleuren.’ Nelis de Felle vond het argument goed gevonden. Twintig jaar geleden had hij zich in de Kempen op een afgelegen watermolen die op instorten stond gevestigd, al die tijd er op uit het eenvoudige leven van de bevolking over te nemen. Maar hij had natuurlijk zijn stadse ideeën niet af kunnen leren.
‘Dat glas, ja. Dat zie ik ook, smerige rommelmaker. Dat is de hand van OnzeLieveHeerke. Da motte gij niet beter willen doen. Dat kunde niet. En waarom niet? Omdat gij ‘ne mens bent, niet God. Kunde gij dat gras daar zo groen maken en het hooi als het droogt zo geel? En denkte wel dat oe pinksterbloemen beter zijn en dat ge de meidoorns van de processie niet nodig hebt? Het houten kruis van Christus heb ik oe nog nooit zien maken. Ge verft over wat OnzeLieveHeer bedoelde. En gij denkt da dat zo maar kan? We hebben oe vaak genoeg gewaarschouwd. En nou, allai vort, nou moet ‘den justies’ het verder maar afhandelen.’
‘Wat ik maak doe ik in het besef van mijn nederigheid!’, probeerde Nelis de Felle nog. De oppergendarme stond op, de kleine deed zijn voeten bij elkaar, liep en greep Nelis de Felle bij de mouw van zijn linnen jasje. Naar de kraag reiken probeerde hij niet eens.

Nelis werd voorgeleid bij het Parket in Antwerpen. Daar oordeelde de rechter dat de Felle nog niet helemaal verloren was. De rechter beval hem de watermolen te herstellen en zijn inkomen te verdienen met het malen van graan en het wassen van schapenwol. Voorts werd hij verplicht lid te worden van de Kempische Carnevalsvereniging, voor het opschilderen van de praalwagens, want:
‘Tot het askruske kijkt OnzeLieveHeer even de andere kant op. Dan danst de fabrikant zelfs met wie nog niet met de slacht te eten heeft.’

Amca Comperen

De schilder Ham La

Toen Mao Tse Toeng de culturele revolutie begon wist hij dat het fanatisme van de jeugd zich tegen hem zou keren als hij dat niet vòor zou zijn. Hij schreef een klein boekje met uitspraken gemakkelijk te onthouden en als slogan te gebruiken. Hij realiseerde zich dat hij zich van interpreteurs afhankelijk zou maken als hij het bij dikke theoretische boeken liet. Als hij niet enkele richtlijnen gaf die voor iedere volgeling toegankelijk waren. De studenten op de universiteiten, waar noodzakelijkerwijs het intellect en het denken ontwikkeld werden, zouden minder makkelijk te manipuleren zijn. Hun helderheid van geest zou zich keren tegen de simpele concepten waarmee hij de heerschappij over het land verkregen had en die eenvoudig te bekritiseren waren als het burgerlijke autoritaire denken waartegen studenten in Europa en Amerika te hoop liepen. Mao schreef het Rode Boekje en richtte zich tot de jeugd in de Rode Brigades, pubers die zich gemakkelijk idolen maken, idealistisch zijn, opstandig worden bij de energie die in hun lichamen opbloeit. Hij prees ze en gaf ze de opdracht residuen van het burgerlijke kapitalistische mentaliteit uit te roeien, daarom niet aan de universiteit te studeren maar het land in te trekken. De slogan: ‘laat duizend bloemen bloeien’, die Nederlandse maoïsten uit het rode boekje plukten, voerden zij als bewijs aan voor het tolerante karakter van de hernieuwde revolutie in China, een revolutie die uiteraard ook van een hoog ontwikkelde gemeenschapszin van de Chinezen getuigden. Zorgvuldig geselecteerde en geregiseerde buitenlandse bezoekers spraken niet dan lof over dit hoogontwikkelde volk, een niveau waar de Westerse mens met zijn individualistische inborst ver van verwijderd was. Ondertussen trokken de Rode Brigades door China, sleepten professoren en vakbekwame specialisten van hun posten af en lieten ze met een hoge muts, als Jan Klaasen in de poppenkast en met een bord om de nek ‘ik ben een verrader van het volk’ door de straten lopen. Jerusalem lag te ver om de parallel met Jesus Christus te zien. In hun overmoed iedere revisionistische mentaliteit te vernietigen en met het oog op de opbouw van het nieuwe China, vernietigden ze wat af kon leiden van de weg naar de Heilstaat. In opdracht van de vrouw van Mao, Li Ping (die na zijn dood ‘ontmaskerd’ zou worden als aanvoerster van de ‘Bende van Vier’) reden karren vol zangvogels door de straten. Bloemen die rond de huizen stonden werden met de grond gelijk gemaakt, hun eigenaren verjaagd en op het land te werk gesteld.

Ham La was van beroep kunstenaar, beeldend kunstenaar, onderwezen in de school van het confusianisme. Hij leerde er de pigmenten gebruiken en daarmee ragfijne landschappen te schilderen, fris als de ochtenddauw of brandend als de middaghitte. De mens nam er een kleine plaats in, verwaarloosbaar bijna, een figuurtje met takkenbossen op de rug op een brug over een kloof, iemand die in de verte een tempel binnen ging. In overeenstemming met zijn besef van nietigheid van de mens signeerde Ham La zijn werken niet. Het zou zijn redding worden. In de zestiger jaren van de vorige eeuw ontving hij nog steeds opdrachten huizen te verfraaien met een op grootte van de wand afgestemd landschap. In het dorp Da Nang, dicht bij de Vietnamese grens, verbleef hij twee maanden in het huis van zijn opdrachtgever, professor Li Hu, een geacht man en geleerde in de astronomie. Met een kleine telescoop uit de periode van Tsjang Kai Tsjek en een recente toepassing van wiskundige berekeningen had hij in het sterrenbeeld Orion enkele planeten ontdekt. De bevindingen publiceerde hij onder de naam John Little Hunter in vaktijdschrift ‘Science’. Het geld en andere revenuen die hem toevielen plaatste hij op een Zwitsers bankdepot, dat hij daar onder nummer geopend had. Hij bestemde het geld voor zijn dochter, mocht ze ooit in de gelegenheid zijn het te gebruiken. Ham La, de landschapsschilder, eiste slechts een geringe vergoeding voor de verfraaiïng van het huis van Li Hu. Hij betrok een kleine kamer, een voorraadvertrek met een hoog venster naar de binnenplaats, en toestemming om van de voorraad voor zijn levensonderhoud te nemen.

In de studeerkamer van Li Hu had hij het onvolprezen landschap van de drie kloven zojuist voltooid, het gouden moment vastgelegd waarop de zon tussen de bergen opkwam en de kleuren, de vormen in helderheid en genuanceerdheid slechts ontroering konden bewerkstelligen. De dochter van Li hu was, zoals ieder kind, lid van de Rode Brigade. Ze was op 17 oktober 1966 15 jaar oud en zat op de middelbare school van de stad waar haar vader doceerde. Die avond kwam ze niet meer thuis, Ham La trof de professor in tranen aan, toen hij zijn rijst kwam halen van wat Tsi Hu als avondmaal bereid had. Tsi Hu was de dochter van een dagloner die die brodeloos kon worden toen zijn baas bij revolutie van 1949 onteigend en vermoord werd, omdat hij zich bij de onteigening van zijn woonerf verzet had. De vader van Tsi Hu werd als groot revolutionair gezien omdat hij het was die het zwaard hanteerde waarmee de boer onthoofd werd. Hij gold bovendien als een barmhartig man omdat hij de boer niet had laten lijden en slechts éen slag nam om het hoofd van de romp te scheiden. Hij liet zich tevens zien als toonbeeld van de kracht van het gewone volk door voor de terechtstelling te eisen dat de boer voor hem knielde en om vergeving vroeg voor de schanddaden die zijn geslacht van generatie op generatie had begaan. De boer had geknield en gevloekt overtuigd van de uitzichtloosheid van de situatie. Als dochter van een groot revolutionair bestudeerde Tsi Hu de werken van Marx en Lenin. Ze trouwde met Li Hu en bood hem enige bescherming bij zijn wetenschappelijk werk.

Op de avond dat de dochter van Tsi Hu en Li Hu niet thuiskwam van school, nodigde zij Ham La, de landschapsschilder, bij het avondmaal. Hij kreeg bij zijn rijst het stuk kip aangeboden dat Tsi Hu voor haar dochter bereid had. Tsi Hu citeerde uit de werken van Lenin en Mao en sprak over revolutionatie kunst, afbeeldingen in dienst van het volk, voor een nieuwe tijd, de eenvoud van de massa en dat goede voorbeelden de spiegel waren van hoe het leven zou zijn als de revolutie was voltooid. Ze gaf Ham La het adres van een drukker in Kanton. Ham La verliet het huis en kreeg -met haar aanbeveling op briefpapaier van de partij- een baan als tekenaar op de werkplaats van de drukkerij in Kanton. Hij tekende een serie posters over het leven op het land: blozende babies, rijke oogsten, rode appels en gouden sinasappels, zonovergoten dorpspleinen en goeddoorvoede meisjes met linten in het haar. Om de frisheid van deze werkelijkheid te benadrukken gebruikte hij primaire kleuren, rood en geel overheersten. Zo werkte hij tien jaar als gewaardeeerd lid van het collectief. Hij had zelfs enkele jongeren opgeleid tot kunstenaar. In dienst van het socialistisch realisme verwief hij zo’n grote faam dat hij in 1975 tot modelarbeider van het jaar uitgeroepen werd. Hij mocht aan de partijsecretaris waar de drukkerij onder resorteerde een gunst vragen. Hij kreeg drie weken vrij en de toestemming naar het platteland af te reizen. Opnieuw zag men in dit verzoek zijn verbondenheid met de opbouw van het land, de ontwikkeling van het platteland en de industrialisatie er van. Ham La nam behalve mondvoorraad voor vijf dagen en de aanbevelingsbrief van de partijsecretaris van Kanton, een schetsblok, krijt, kwasten en tubes verf mee. Hij keerde terug naar Da Nang, het dorp bij de Vietnamese grens.

Het huis van de astronoom en zijn vrouw werd bewoond door een onbekende familie. De dochter van Tsi Hu en Li Hu woonde in een commune op het platteland in de omgeving van Da Nang. Ze was nu 25 en had de leiding over de jonge brigadisten. Ze herkende Ham La onmiddellijk en verwonderde zich er over dat China nog steeds niet gezuiverd was van aanhangers van de burgerlijke ideologie. Ze vertelde Ham La dat het haar pijn had gedaan haar vader aan te moeten geven wegens het onderhouden van contacten met wetenschappers die zich door kapitalisten lieten leiden. Ze had ook de dubbelhartige rol van haar moeder doorzien. Die had van haar proletarische achtergrond misbruik gemaakt en zich een burgerlijke mentaliteit aangemeten. De zaak van de revolutie vroeg dat offer van haar en ze had het grootmoedig volbracht. Haar vader was van de universiteit verwijderd en omgekomen in een mars naar het platteland waarbij men hem behandeld had zoals het verraders betaamde. De verblijfplaats van haar moeder wist ze niet. De ontwikkeling van China ging haar boven de familiebanden met hun burgerlijke oorsprong.

Ham La toonde haar de aanbevelingsbrief, waarop gewag gemaakt werd van zijn verdiensten voor het volk. Achter de houten tafel waaraan zij zat, stond een ijzeren dossierkast waarvan zij de sleutel om de hals had. Ham La zag hem hangen onder de rode halsdoek met een metalen insigne van de rode brigades bijeengehouden. Ze was een kleine gedrongen vrouw dat haar dikke zwarte haar kort en recht afgeknipt hield. De vrouwelijk brigadisten hadden hun vlechten afgeknipt en aan de staat geschonken die er pruiken van maakten en verhandelde voor westerse deviezen. Op haar revers droeg ze de orde van verdienste van Mao. Haar uniform bestond uit goed geweven katoen en zat smetteloos gestreken om haar naar corpulentie neigende gestalte. Ze lachte haar tanden bloot terwijl ze naar Ham La opkeek: ‘De verraders zullen zichzelf aangeven als zij zich veilig wanen voor volksvijandige praktijken. Om de heilsstaat te bereiken is permanente waakzaamheid nodig. Welk citaat haal ik hier aan?’ Ham La moest het antwoord schuldig blijven. De dochter van Li Hu haalde de sleutel van haar hals. In de wijze waarop zij daarbij haar hoofd boog herkende Ham La haar moeder.

Er kwam een jongeman binnen die haar vroeg of hij van dienst kon zijn. Samen zochten ze naar een dossier van Ham La, ‘Geen schuldbekentenis voor hij naar Kanton vertrok? Nee, geen schuldbekentenis. We zullen hem met de brigadisten in contact brengen.’ Ham La werd in een zijkamer opgesloten en later die dag voorgeleid aan een afvaardiging waarvan het merendeel niet ouder dan een jaar of 16 was. Ze namen Ham La zijn kleren af en smeerden hem onder de verf uit zijn tubes. Vooral het insmeren van zijn genitalieën bezorgden hen plezier. De erectie die Ham La er bij kreeg bood gelegenheid extra kleuren aan te brengen. Ze namen hem mee naar een binnenplaats en de dochter van Li Hu sprak de jonge brigadisten toe: ‘Wij zijn geen onmensen, wij hakken geen handen af, wie afdwaalt kan onder ons blijven nadat hij met zijn eigen dwaling gestraft is. Daarom zullen we hem opsluiten in het huis van de verrader Li Hu waar hij de verf van zijn lichaam eten zal.

Ham La werd opgesloten in de oude voorraadkamer, de deur vergrendeld. Af en toe kwam er een gezicht door het luik op de binnenplaats. Terwijl Ham La op zoek was naar iets drinkbaars, stuitte hij op een rol zwart papier in de muur met daarin een brief aan hem gericht, een brief van Li Hu waarin hij waarschuwde voor zijn dochter en een ontsnappingsroute naar de Vietnamese grens. Op een apart velletje stond het nummer van de Zwitserse bankrekening. Ham La huilde van geluk bij de onverwachte ontmoeting. Hij leerde het nummer uit zijn hoofd en at het papier op. De ontsnappingsroute die hij kon nemen leidde via een nauw luik door het huis naar buiten, de route door de bossen naar de grens. Ham La kleedde zich in juten zakken en tegen de dageraad ging hij. In de eerste licht zag hij de afbeelding van de drie kloven in de kamer van wijlen Li Hu. Door de tijd en onachtzaamheid was er nog slechts vaag iets van zijn meesterwerk te zien.

In 1980 stonden in Zürich groepen jongeren die zich de ‘Autonomen’ noemden. Zij bespoten wanden van gebouwen met felle kleuren. Een van hen was een oude magere Chinees, die uitsluitend zwarte verf uit spuitbussen spoot. Ze zeiden dat hij gek was en stom en dat hij met zwarte verf spoot omdat deze niet meer te verwijderen was. In 1983 stierf Mao.

De blauwe tuin

Het was een tuin, een blauwe tuin. Langs de ommuring dropen blauwe lianen tot in de wortels van de planten. De planten hadden met elkaar afgesproken dat iedere exemplaar, van welke oorsprong ook zich in blauw zou hullen. Dat zeiden ze tegen elkaar. de waarheid was dat ze generatie na generatie op dezelfde plek bij elkaar leefden en meer en meer op elkaar leken. En ze negeerden zoveel mogelijk wat er niet blauw uitzag, waardoor het leek of dat niet bestond. Lichtblauw, azuur, indigo gentiaanblauw, kobaltblauw, ultramarijn, marineblauw, saffier, zoveel kleuren blauw. Wie zou er kunnen klagen dat er te weinig verscheidenheid was. Turquoise, petrol waren een twijfelgeval en aan het tolereren van het groenblauw ontleenden ze het argument dat het er in de tuin ruimhartig aan toeging.

Er groeiden in de tuin ook een stel fuchsia’s die zich vaak kwetterend met elkaar onderhielden. Dat viel op een regenachtige middag op. ‘Fuchsia, fuchsia, dat wij je over het hoofd gezien hebben. Wij zijn breed van opvatting, maar dit rood heeft niets meer met ons blauw van doen. Daar moet de tuinraad voor aantreden en over oordelen.’ Aan het woord was de voorzitter van de tuinraad , een kikker die de gewoonte had eerst alle perken te bespringen om vervolgens op een steen midden in de vijver plaats te nemen. Niemand in de tuin lukte zoiets, het was er te glibberig. De algen die die gladheid veroorzaakten waren van een diepblauwe, bijna zwarte kleur. De overige leden van de tuinraad waren van wisselende samenstelling. Het was meer wat de kikker tijdens zijn sprongen op weg naar zijn steen tegenkwam, waar zijn oog op viel en wat hij aanwees. Het kon een beest zijn, een raar lieveheersbeestje, een spin, een hommel, maar ook een plant.

En het was hier dat de kikker de fout inging. Het was zijn gewoonte een uitgekozen plant uit te rukken: ‘Jij gaat na afloop van het beraad het water in en zink tot op de bodem. Vanuit de plantenhemel daar kan je een exotische orchidee worden. Wat je maar wil.’ De tuinraad stond opgesteld rond het aquamarijn van de vijver in de middagzon. Er was een tor, die diep donkerblauw glansde en die af en toe uit louter ijdelheid zijn vleugels liet trillen. Er was een familie bladluizen die gezellig keuvelden: ‘Wij zitten altijd goed, want wij nemen de kleur over van wat we eten.’ Een schele spin zat gemeen naar hen te loeren. Die was zo non-descript van kleur dat niemand de moeite nam te kijken of hij wel blauw was. Een Vlaamse gaai zat boven in de kastanjeboom aan de rand van vijver. Hij riep: ‘Ga maar beginnen met de vergadering. Wat ik te melden heb roep ik wel. En ook als iemand die hier niet hoort over het hek klimt.’ Alom instemmend en geruststellend gemompel.

‘Vrienden’, zo begon de kikvors, terwijl hij zelfvoldaan en trots om zich heen keek, ‘vrienden, wij zijn hier bijeen om te bepalen of de fuchsia in de tuin kan blijven. Zoals jullie weten is de kleur blauw de basisregel van deze tuin. En aangezien deze fuchsia meer rood dan blauw is, kunnen wij niet anders dan een overtreding van onze geliefde regels constateren. Ik heb op weg naar dit beraad de mooiste fuchsia geplukt en hierheen gebracht. Het is niet de schoonheid maar de kleur die het probleem vormt. Allereerst wil ik het woord geven aan de plant zelf.’ De fuchsia stond een beetje bibberig aan de rand van het water. De plant werd overeind gehouden door een spreeuw die daartoe zijn diep paarsblauwe vleugels gespreid hield. ‘Dank je wel’, zei de fuchsia, ‘dank je wel kikker, dat ik straks naar de hemel mag. Eerst wil ik opmerken dat jouw poten behoorlijk rood zijn, knalrood en je ogen lijken wel tomaten. En de rest van verschijning is zo groen dat je wel in een groene maar allesbehalve blauwe tuin thuishoort. In mij zit meer blauw dan er ooit in jou te ontdekken zal zijn.’

‘ Wel, heb ik me jou daar, de brutaliteit’, begon de kikker, maar het was al te laat. Alle dieren en planten bogen zich naar de kikker, keken . Er steeg een ongemakkelijk gemompel uit de tuin. ‘Ja, ja, ja’, dat klonk steeds luider. ‘Ga zelf maar op de bodem liggen’, gilde de fuchsia. ‘Ja, ja, ja’, het was duidelijk dat de schellen van de ogen der tuinbewoners vielen. De Vlaamse gaai die het tafereel met interesse gadesloeg, nam een duikvlucht en met éen hap slokte hij de kikker op. Daarop brak er in de tuin een gejuich los: ‘De dictator, wij hebben de dictator verdreven. Leve de vlaamse gaai.’ De vogel nam plaats op de steen, klapperde een paar keer de vleugels op en neer en riep: ‘Laten we een minuut stilte houden voor de fuchsia die zijn leven voor ons offerde, die met zijn onverzettelijke moed de vinger op de zere plek lei en zo de dictator verjoeg.’

Er werd voor de fuchsia een standbeeld opgericht en wel op de plek waar de fuchsia toen bezweek. Het beeld werd wel blauw geschilderd, dat wel.

Bollie Wiebel

Er was eens een kriebelig mannetje dat gek was. Niemand wist waarom. Was hij gek van kriebeligheid? Of had iemand hem gek gemaakt en veinsde hij kriebeligheid. De huid van zijn armen lag open en waar nog vel zat zag je rode strepen lopen. Voor de rest wist men het niet. In het dorp fluisterde men dat het onder zijn kleren erger was nog.

Op een keer stonden er twee kinderen voor zijn  deur. Ze riepen naar hem. Ze veronderstelden hem achter de gesloten gordijnen:
‘Bollie Wiebel heeft de kriebel.
Kom naar buiten, anders gooien wij je ruiten.
Na na na na na.’

Maar Bollie was niet thuis. Hij liep met zijn jachtgeweer, meer voor de sier dan om te schieten. Het ding was nogal oud. Hij liep er mee door het bosje achter de grote watermolen op zoek naar konijnen of ander klein wild. De takken, afgewaaid onder de laatste herfststorm kraakten onder zijn voeten. Bijna struikelde hij bij zijn klim over een grote tak dwars over het karrespoor waarlangs hij liep. Zijn jas, een versleten colbert nog van zijn vader zaliger, viel open en daar onder zat een vaalblauw overhemd met geronnen bloed. Een schoen bleef haken achter wat uitstekers en hij trapte met zijn andere in een plasje water.  Het kleurde onmiddellijk rood. Bollie Wiebel wurmde de schoen tussen de bladeren vandaan: ‘Hier komen jij, straks loop ik nog op mijn blaren in plaats van op jouw zool.’

Hij vond een patrijs in een konijnenstrop. Die leefde nog en keek niet al te gelukkig:
‘Ik dacht: hee een patrijspoort. Maar nee. Zie je, ik ben geen konijn, maar vergissen kan ik me nog veel beter.’
‘Jou verkoop ik aan de boer’, zei Bollie Wiebel. Hij greep de vogel bij zijn vlerken en ontdeed hem van de strop. Onder zijn ene arm klemde hij het beest, aan zijn andere het jachtgeweer. De boer woonde niet ver, het bos uit en een akker oversteken. De hond met  de valse blik en ontbloot gebit zat gelukkig in een kooi. De boerin was op het erf bezig melkbussen uit te spoelen. Ze bood 5 munten voor de patrijs en dat vond Bollie Wiebel goed. Toen hij wegliep van de boerderij hoorde hij iets achter zich. Hij keek om, de boerin had het beest de nek omgedraaid. Op zijn terugweg keek hij in het bosje nog even zijn stroppen na. Niets.

‘Morgen weer kijken, dan maar’, zei hij hardop.

Op de landweg terug naar huis stond een menigte mensen, geen grote menigte -zo veel mensen woonden er niet in het dorp- maar toch. Bollie aarzelde even, maar zijn nieuwsgierigheid won het van zijn angst. Het jachtgeweer lei hij in de slootkant:
‘Van dat volk is weinig goeds te verwachten en eentje heeft er vast een bij zich die wel schiet.’

Zijn ruiten waren inderdaad ingegooid en daar kreeg hij de schuld van. Boer Stinse die thuis 7 kinderen had begon er mee:
‘Zo , daar heb je hem. Gauw weggelopen, hè, toen je die twee van ons zag. Kan je wel, met stenen gooien? Onze Gerrie heeft zijn hele hand onder het bloed.’
‘Dat maakt hèm niets uit,’ riep een ander.
‘Hij houdt er van, van bloed.’ De vrouw die dat zei opende zijn colbert en zag de bloedvlekken.
‘Kijk, hij heeft gevochten. Net wat onze Tonnie zei.’  Boer Stinse kwam op hem af: ‘Trek uit die jas. Wij willen het allemàal zien.’ Hij begon aan zijn colbert te rukken. Een paar anderen hielpen hem. Toen scheurden ze zijn overhemd van het lijf en ook de rest van zijn kleren. Bollie Wiebel kon geen kant op. Naakst stond hij daar, overdekt met schrammen, korsten en bloed. Alleen zijn schoenen had hij nog aan.
Een vrouw riep: ‘Maar dat kan toch allemaal niet van het vechten met de jongens komen?’ Boer Stinse liep dreigend op haar af:
‘Die man is gek, die doet rare dingen met onze kinderen. Hij moet weg.’
Een andere vrouw riep: ‘Weg, weg. Bollie is gek. Bollie moet weg.’
Bollie probeerde in zijn huis te komen, maar de meute versperde hem de toegang. Ze wezen naar zijn piemel en lachten er om. Ze pakten stokken en prikten er mee in zijn kapotte lijf. Bollie Wiebel probeerde weg te komen maar kon niet door de omsingeling heen breken. Zijn wonden gingen open en er kwamen nieuwe bij. Angstig en wanhopig keek hij om zich heen. Boer Stinse zei:
‘Kom mensen, kom, kom, laat die gek in zijn huis. Er staan hier ook kinderen.’ Inderdaad stonden er een paar kinderen met open monden en wijdopen ogen te kijken naar de naakte Bollie. Een paar jongetjes deden mee met het prikken met stokken. Vrouw Veraart greep haar zoontje die een stok aan het zoeken was: ‘Naar huis, jij, moet je ook zo worden?’ De jongen duwde zijn moeder van zich af.

Achter de menigte klonk een schril gefluit. De veldwachter. Enkelen keken er om en stootten elkaar aan. De politiefluit snerpte maar door en langzaam werd het stil en week de massa uit elkaar. Daar stond Bollie Wiebel, zijn handen voor zijn geslachtsdelen geslagen.
De veldwachter toonde hem zijn politiepenning en zei op plechtige toon:
‘Mijnheer Wiebel, hierbij arresteer ik u wegens naaktloperij. Mensen, ga naar huis, deze arrestant valt nu onder mijn gezag.’
De menigte droop af, sommigen staken nog hun tong naar Bollie Wiebel uit.
Bollie en de veldwachter gingen het huis van Bollie binnen. Binnengekomen hield de veldwachter de hand voor zijn neus en mond:
‘Vlug, jij,’ zie hij, ‘ga je aankleden. Zo kan je niet mee.’

Bollie Wiebel rende naar boven om zich aan te kleden. Gelukkig hingen er wat kleren over de waslijn op de overloop. Hij keek nog uit het raam aan de achterkant maar er stonden nog steeds mensen. Hij rende naar zolder maar nergens een plek om zich te verbergen, niet echt. Op de stoffige vloer zag hij een foto van zijn moeder liggen, die waarop ze een witte kanten jurk droeg. Hijj stak hem in zijn zak, pakte nog twee zakdoeken uit de kast en een pakje pruimtabak dat hij in een Chinese vaas bewaarde en klom door het dakraam naar buiten.