Auteursarchief: Amca

Jean-Pierre en Mimi

Jean-Pierre en Mimi zijn kinderen van het licht. Hun oorsprong is onduidelijk behalve dat wie licht zegt bijna Jean-Pierre en Mimi zegt.
Niet dat de anderen niet van licht waren maar daarover gaat het hier niet. Wel over Jean-Pierre en Mimi, een tweeling die samen een compleet mens en dus tegengesteld waren.
Toen Jean-Pierre naar school ging, ging Mimi ook. Tot de poort. Jean-Pierre ging naar binnen en Mimi niet. Lees verder

Het zoutmeer

Rozemarijn liep op het lange lege zandstrand. Eindeloos en nog veel verder golfde het verlaten land voor haar uit. Maar Rozemarijn zelf was niet verlaten. Achter haar liep Jasmijn die witte zoetgeurende bloemen uitstrooide, bloempje voor bloempje. Gelukkig was het windstil. Naast Jasmijn liep Sable d’Or. Eigenlijk heette hij Henk, maar ‘Sable d’Or’ vonden ze mooier. Zeker nadat Henk aan het begin van hun tocht, daar waar het zand aan de palmen grenst, een gigantische woestijnroos vond. Hoe die daar terecht gekomen was, Joost mag het weten, want de plek lag uit de wind. Iemand moest het gevaarte daar neergelegd hebben. Rozemarijn liep voorop want, zo zei ze:
‘Ik weet hoe je lopen kan om aan het grote meer te geraken.’ Af en toe deed ze haar hand boven de wenkbrauwen en na anderhalf uur riep ze: ‘Ja, daar!’
’Jeetje, had je niet van te voren kunnen zeggen dat het zo ver zou zijn? Ik had een behoorlijke partij bloemen bij me. En kijk nou eens.’ Jasmijn hield de mand van fijngevlochten palmblad open.
‘Er is nog genoeg over om er een welkomsbegroeting van te maken, als zo dadelijk het grote meer aan onze voeten ligt’, zei Sable d’Or. Hij verpulverde er een tussen zijn vingers. ‘Lekker’, zei hij.

Ze baggerden nog een knap kwartiertje door en geraakten aan het uitgestrekt meer. Zo groot, het had makkelijk een zee kunnen zijn. Het meer had een chagrijnige bui, behoorlijk chagrijnig kan je wel zeggen. Het bewoog niet. Het staarde hen met ijzige ogen aan, wit ook, helemaal wit.
‘Hallo meer’, zei Rozemarijn, ‘Wij komen van onder de palmen vandaan en zijn toe aan een opfrisser.’ Voor de voeten van Rozemarijn verschoot het meer van kleur, werd van ijzig lichtblauw rose.
‘Kijk, hij bloost’, zei Jasmijn en strooide een paar bloempjes op de zilte blos. Nu klonk er een gekraak. het meer opende zijn mond. Een klein mondje, maar toch. In die mond zagen ze het azuurblauw dat je van water verwacht. Sable d’Or wilde er meteen in, maar Jasmijn hield hem tegen.
‘Ik ga’, zei ze, ‘maar eerst nog een paar bloemen. Dat deed ze. En verder opende het meer de mond. Er kwam uit zijn keel een visje bovendrijven, een piepklein blauw visje met een rond lijfje en grappige klein zwemvinnetjes. Het piepte:
‘ Niet doen. Ga weg. anders wordt je net zo blauw als ik. Ik lijk wel een vis, maar ik ben al lang een bootje geworden. Ik kan alleen maar schelpjes overvaren.’
‘Maar wij kunnen toch zwemmen’, zei Sable d’Or.
‘Nou, dan moet je het zelf maar weten’, zei het bootvisje. ‘Hier, dit zal je nodig hebben.’ Het visje spuwde een miniatuurhandje van Fatima uit.
‘Kijk dan’, zei Rozemarijn. Ze nam het handje van het zand in haar hand. ‘Alles wordt hier hard. Niet alleen het meer, ook het gelukshandje is helemaal van metaal geworden. Laten we gaan, voor dat wij in zoutpilaren veranderen.’

Maar Jasmijn lachte hard en sprong zo pardoes in de blauwe mond van het meer. ‘Joehoe’, ze zwaaide met haar armen terwijl ze verder in het water weggleed. Toen verdween ze in de diepte.
‘Nu moet jij’ zei Rozemarijn, ‘Jij bent een man, dus jij moet er achter aan. En trouwens, het is jouw vriendin.’
‘Ja, ja, geëmancipeerd, behalve als de nood aan de man komt. Dan is het ‘help, help’.’ Het gekibbel tussen die twee nam een aanvang. Het liep hoog op, want eigenlijk mochten ze elkaar al niet zo. Nou ja, schandelijk. Ze vergaten helemaal dat Jasmijn in de diepe donkere mond van het meer lag te verdrinken. Wie weet wat er met haar gebeurde. Het viel mee, hoewel dat niet een hen lag. Jasmijn kwam boven op een grote lichtblauwe bootvis. Die had precies dezelfde kleur als het water. Precies de maat van Jasmijn ook. Ze sleurden Jasmijn van de vis op het zand, want ze bewoog niet. Ze wreven haar schoon, met bloempjes. Dat hielp. Toen ze de vis bedanken wilden, was die verdwenen. Het chagerijnige meer had zijn mond gesloten. – -

Het aardappelvrouwtje

Het aardappelvrouwtje…..dat een stoere bananenman wilde zijn.

‘Wel waar, het is wel waar. Aardappels zijn ook fruit, ondergronds fruit, vuil stoffig of modderig, maar fruit. Stop mij onder de grond en je krijgt een nieuwe plant. Ik ben de vrucht. Wie kan mij die status ontzeggen?’ De bananenman richtte zich op, althans dat probeerde hij. Het was meer dat zijn vel aan buikzijde een beetje rekte, maar veel hielp het niet. Hij keek het aardappelvrouwtje vuil aan met het ene oog hoog op zijn kop. Hij zocht haar blik en vond er vele. Verspreid over het oppervlak van haar rimpelige huid vond hij verschillende putjes waar achter hij een oog vermoedde.
‘Ik kom van de zon’, zei hij, ‘ Heb je mijn blad bekeken, wuivend in de bries van de zee? Zie je mijn gestalte oprijzen? De mensen schuilen onder mijn bron, een hoogopgaande boom. Ze zetten er plastic stoeltjes neer en wanen zich in het paradijs. Ze zien mijn lach groeien, hoog boven hen, tientallen lachende monden, zonnige monden, eerst groen als sappig gras dan geel als god zelf. Ik ben een kleinood voor ze, multifunctioneel -daar weid ik nu niet verder over uit- maar vooral compleet, een complete voeding, zacht en zoet. Kinderen en arme mensen zijn dol op me. Ik kan me voorstellen dat je mij wil zijn. Maar helaas dat kan niet.’
‘Je kletst ‘ zei het vrouwtje, ‘80% is geklets. Je deed er beter aan mij in je gelederen op te nemen. Ook ik vorm een complete voeding voor mensen. Ken je ‘de aardappeleters’ van Van Gogh? Nee, dat dacht ik al. Hele generaties hebben op mij overleefd. Toen ik na een treurige zomer op het land lag weg te rotten, zijn hele dorpen leeggelopen, gevlucht naar betere oorden. Alleen omdat ik er niet meer was.’
‘Nou en’ zei de stoere bananenman, ‘ Nou en…. Waarom wil je mij dan zijn. Je bent kennelijk heel belangrijk, mensen kunnen niet zonder je. Maar je kunt niet aan me tippen, anders zou je je niet zo gedragen.’ Het aardappelvrouwtje rolde een beetje naar de stoere bananenman. Ze knipperde met al haar ogen, uit enkele groeide een witte spriet.
‘Ik heb een voorstel’, zei de bananenman, ‘als je op die sprieten naar mij toe kunt komen ten minste. Dan zal ik je iets influisteren, dat je zal bevallen.’ Het aardappelvrouwtje strompelde op een paar uitlopers toe op de de bananenman, die schuin achterover leunde tegen een muurtje. De late avondzon scheen er volop tegen aan. Ze leunde tegen hem en er klonk een hard en genieping gelach, dat overstemd werd door de grasmaaimachine van de tuinman.

Het verhaal zou hier eindigen. Het was per slot van rekening al laat op de dag toen dit gesprek plaatsvond. Niemand zou dat vreemd vinden. Niemand legde ook een verband met deze conversatie toen enkele jaren later in een botanische vaktijdschrift er een sensationeel artikel stond:
‘Nieuwe soort ontdekt, kleine boom met ronde rimpelige vruchten, geel met een melige bananensmaak. Goed eetbaar na een korte kookbeurt.’

Henkie

Het stopte niet meer met regenen, omdat de zon zich achter vette wolken verborg. Dit nadat de weerman met zijn sjagrijnige hoofd zich voor de weerkaart had staan uitsloven voor de tv.-camera. Zo gaan die dingen. Die verdomde dominee ook met zijn zwartgallige verhalen van wat in een ver verleden zogenaamd echt gebeurd was. Als hij er nog een elegante draai aan zou geven door wat warmte of mededogen in te bouwen. Maar, nee. De zwaargebouwde donkere mannen en hun uitgedijde echtgenotes verwachten niet anders dan predestinatie en doemdenken. Na het zwoegen in de kleigrond en het melken van doorgefokte runderen willen zij zich verliezen in een sombere zingeving van deze ellende. En dat lukt ze. Deze zondagmiddag na het zingen van de laatste psalmen staan ze op en lopen in statige pas de kerk uit. Buitengekomen verwachten ze elkaar met een korte groet of een beleefd praatje enkele ogenblikken te verpozen. Maar deze zondag niet. Het water staat tot onder de kerktrap en klotst en kolkt tussen de struiken van de omringende tuinen. Een paar eenden en een zwarte knobbelzwaan zwemmen rond het kerkgebouw waar de verbouwereerde kerkgangers zich noodgedwongen verschanst houden. Het regent nog steeds. ‘De dijken zijn doorgebroken,’ roept een van de kerkgangers. En een andere: ‘De toorn van de Here is over ons neergedaald .’ Hij slaat er een kruis bij. Een jongen met kort zwart haar en een bijbel onder de arm geklemd begeeft zich te water. ‘Henkie , blijf hier’, schreeuwt een van de dikke vrouwen, ‘Help mijn zoon gaat verdrinken.’ Maar Henkie kijkt niet op of om. Hij loopt door het water over het pad en vervolgens over de weg naar waar de boerderijen moeten staan. Hun daken zijn zichtbaar, boomkruinen ook en Henkie loopt verder alsof het water, de regen hem niet aangaan. Tot hij verdwijnt. De mensen zijn in paniek, een paar mannen willen achter Henkie aan maar iets weerhoudt hen. De dominee is met een paraplu naar buiten gekomen en beveelt de menigte een gebed uit te spreken voor de dappere ziel van Henkie die nu vast hemelen is. Maar Henkie is niet dood. Henkie heeft onder aan de dijk naar de kraan gedoken, de kraan waaruit al dat water stroomde. Vanochtend op weg naar die stomme kerk had hij die uit balorigheid opengedraaid. Niemand wist dat. Niemand wist van die kraan die te voorschijn kwam bij zware regen en dat die het water zou verspreiden over de landerijen tot zelfs de wegen en de erven van de boerderijen verdwenen. Alleen kinderen en mensen die hun eigenste kleine kindje binnein nog ergaens hadden konden van die kraan weten. En zelfs die bijna niet. Maar Henkie wel. Toen hij de kraan dicht draaide liep het water weg naar de sloten en de bedding van de rivier. Henkie vluchtte naar het hooggelegen huis van zijn grootouders, waar hij zich op de hooizolder verborg. Voorlopig zouden ze niet naar hem zoeken.

Eeuwig is als een ogenblik

— Toen de jongen zijn konijn zag ging hij naar zijn moeder. Hij vroeg haar op het beestje te letten terwijl hij speeelde met een buurjongen, die ook zijn vriendje was. De moeder zei ‘ja’, liep naar de tuin en sloot het deurtje van de kooi waarin het beestje opgesloten zat. Toen vervolgde zij haar bezigheden, de was doen op de eerste plaats. Zij deed de lakens in de machine, slopen en ook enkele handdoeken. Ondertussen draaide zij muziek: Elvis Presley ‘oh my babay, please surrender … Ta na ta na oh so tender. Can you ….’

Alle woorden zong zij mee, althans die die ze verwachtte te horen. De zwoele stem gaf een gevoel in Graceland rond te lopen. Het kon haar niet lang genoeg duren. Toen ze de was buiten aan het ophangen was lette ze niet op het konijn, maar op de zon, hoe die met het blad van de vlierbes patronen over het wasgoed strooide. ‘Mooi’ dacht ze, ‘mooi’. Op de achtergrond, uit de openslaande deuren leek Elvis Presley bezig aan een rondgang door het huis.

Toen kwam de jongen thuis. ‘Mam’, zei hij ‘ zet toch die muziek uit. Er is een vogel in de tuin, een die je nog nooit gezien hebt.’ Hij voegde de daad bij het woord en liep de tuin in waar hij geen vogel zag. Evenmin vond hij zijn konijn terug in de kooi. Er zat een opening onder het gaas en de aarde was weg gegraven en ook weer opgedroogd. ‘Mam, waar komen al die konijntjes vandaan? Zie, er zitten er wel twintig en ze hebben alles kaal gevreten.’ Zijn moeder keek op, hing de laatste sloop aan de waslijn op de knijpers en zei: ‘Kom jongen, je moeder zal eens eten klaar gaan maken. Je zult wel honger hebben.’ ‘Ja’, zei de jongen, ‘ik rammel.’ —

De sinasappel

— De wetenschappers van het ‘global intelligence instituut’ liepen op een ochtendwandeling door de boomgaard van de de Californische woestijn. Ze bewonderden het fruit, de dikte van de stammen van de sinasappelbomen, het frisse groen dat tussen de bomen opschoot:
‘Hoe is het mogelijk dat een woestijn zo veel vruchten geeft, zo veel gewassen op laat schieten’, zei een van hen, een jongen met een dikke haardos en een donkere bril. Hij detoneerde tussen de mannen in het gezelschap dat meest uit vijftigers bestond.
De mannen keken vreemd naar hem op: hoe kon een intelligente jongeman zulke voor de hand liggende vragen stellen?
De jongen persisteerde echter:
‘In de wereld bestaan allerlei landschappen waarvan sommige zo droog dat er niets groeit, er zijn geen wolken die kunnen regenen. Ik weet niet wat het betekent maar er moet een diepere betekenis zijn voor de dorheid.’
Daarop werden de mannen erg kwaad:
“‘Global intelligence’ is de intelligentie van de mens die heerst over de aarde, zo staat het in de Bijbel, maar dat is het punt niet. Dat de aarde aan de mens ter beschikking is gesteld betekent betekent dat wij hte naar ons beeld en behoefte in kunnen richten.’
Ze keken naar de jongeling die met grote passen vooruit stapte, zijn armen spreidde, eerst opzij, toen naar boven, alsof hij ze in de blauwe hemel vloeien liet. Hij nieste drie keer en werd doorzichtig, nog een luchtspiegeling boven de hete aarde.
‘Och’, zei een van de professoren in het gezelschap, ‘hij past niet bij ons, zie hoe hij zich onttrekt aan onze kennis.’
Een andere nam een sinasappel van de boom en begon deze van zijn schil te ontdoen. Toen hij hier mee klaar was hield hij niets over, alleen de geur hing in zijn neus. …

De drilboor

Er was eens een degelijke drilboor. Veel had hij gezien: betonnen muren vol kiezel en roestig ijzer, ongedierte in kruipholen, het flakkeren van een kortsluiting aan zijn staart, kalk in zijn gewrichten, een vastgelopen motor en de opgezwollen aderen op de slapen van zijn baas. Keer op keer was hij opgelapt, schoongemaakt. Hij ging in zichzelf geloven, vooral als hij weer eens een lekkere onderhoudsbeurt had gekregen, Ingesmeerd, dat voelde goed.
De drilboor hield van zijn baas, een forse 40-er en voor geen kleintje vervaard. Die vond geen klus zo ingewikkeld of hij vond er wat op, een handigheidje waardoor hij een onmogelijk probleem in een wip op kon lossen. De drilboor was al 10 jaar van zijn baas en meestal was hij onmisbaar, een gaatje boren deed hij zonder nadenken, maar hele muren slopen, ging daar maar eens aan staan. Nou hij wel, de drilboor. Zijn baas kon op hem vertrouwen, door dik en door dun.

Maar laatst, zijn baas had hem ingezet bij het uitbreken van een eeuwenoude muur.
Aanvankelijk verliep het gesmeerd. Nou ja, hij was ook net gesmeerd. Een nieuwe boor had hij in zijn kop gekregen, eentje met diamant, het hardste van het hardste. Hij glom van trots. En die muur, och wat was ie dik, stenen, mortel en stukken graniet. Die muur stond dus in een kasteeltje en de bedoeling van zijn werk was dat van twee vertrekken een grote gemaakt zou worden. Ja, ja, de eigenaar had het pas gekocht. Die was zo rijk, dat hij dat liet zien in de omvang van de kamers. Het was de eerste muur, de bovenste helft had ie tevreden brommend weggehaald, zich steeds aanpassend aan de steensoort en hardheid. De onderste helft van de muur daar ging het om. Hij stuitte ergens in het midden van de muur op iets waar hij onmogelijk doorheen kon. Zijn baas, Jan heette hij eigenlijk maar dat doet er nu niet toe, voelde in het gat waarin hij bezig was. Hij voelde een oppervlak, glad als gepolijst graniet. Hij pakte een zaklantaarn en zag niets, geen graniet, niets, gewoon een nis. Die kon onmogelijk een probleem vormen. Baas liet hem een beetje er om heen boren, dat ging wel. Kwam hij echter in de buurt van de holte dan kon hij onmogelijk verder. Vreemd eigenlijk, maar baas was een praktisch man en liet hem alles wegboren, alles er omheen. De hele muur ging er aan.

Er lagen brokstukken grijze, groene, rode stenen, stof, cement en gruis. Gruis waar je maar kijken kon. Met grote scheppen ging dat alles in kruiwagens en vervolgens over een paar houten planken zo, hops, in de laadbak van de de vrachtauto van baas. Enfin, toen baas alles bijeengeveegd had en er dus een grote ruimte van voorheen twee kamers overbleef, kon je toch niet gewoon van de ene naar de andere kant. Waar die holte geweest was zag je niets maar je kon er ook niet doorheen, alleen er omheen. ‘Baas’ riep de de eigenaar van het huis er bij en nog andere mensen. Ze schopten tegen de holte, die natuurlijk geen holte meer was, alles er omheen was holte, ja toch? Ze krabden op hun hoofd, ze lachten, ze fronsten hun wenkbrauwen. Ze begonnen te fantaseren en allerlei verhalen naar boven te halen en anderen schudden dan weer hun hoofd. Ze haalden een brandslang en spoten water, maar ook water ging er niet doorheen. Ze draaiden de kraan lager en lieten het water er over heen lopen. Waar het water liep was het net was het net of je naar een glazen beeld keek, de gestalte van een vrouw, een naakte vrouw met lange haren, de handen gevouwen voor haar schaamte.

Ze riepen de pastoor er bij en die zei dat het een wonder was en dat het beeld in de kerk thuishoorde, zoals alle echte wonderen. En ze bevallen ‘baas’ onder de voeten het beeld weg te halen. dat moest de drilboor dus doen. Verschillende boren kreeg de boor aangemeten. Het werk vorderde langzaam, heel langzaam. De boor ging diep de bodem in, maar het werd hem te veel. De boor zag overal lichtjes, hoorde knarsen en piepen en toen begaf ie het: geen weerstand meer, volstrekt opgebruikt.

Een paar dagen later kwamen de eigenaar van het kasteel, de andere mannen en de pastoor weer. Ze overlegden langdurig met elkaar.
De eigenaar van het huis heeft van de vertrekken een kapel gemaakt. Overal hingen kruisbeelden, en voorstellingen van de heilige maagd Maria. De holte was nu een beeld geworden, ze omhingen de vrouw met fraaie kleding. Er brandden kaarsjes en van verre oorden kwamen mensen het beeld vragen hun kwalen te genezen. Eens per jaar, op Maria Hemelvaart, werd de kleding van het beeld verwijderd. Onder gregoriaanse klanken, met wierook en andere geuren, en onder een uitgelezen belichting, viel uit het plafond een zachtruisend water dat de contouren zichtbaar maakte. Uitsluitend voor genodigden.
In de hal naar de kapel stond op perkament de geschiedenis van de de ontdekking. de drilboor hing er naast. Baas had al lang een andere gekocht.

Nawoord:
Op een nacht werd de boor meegenomen door twee kwajongens. De dag daarop lag de kleding van de heilige maagd vormeloos op de grond. Na een speurtocht kwam de boor geheel gedemonteerd, onherstelbaar vernield, terug bij de eigenaar van de kapel. Ook al probeerden ze de drilboor weer in elkaar te zetten, er gebeurde niets meer.
Sinds kort, sinds een jaar of vijf, bestaat in het dorp de Orde van de heilige Boor. Die voert een ritueel op waarbij na veel lichamelijke inspanning tot Eva gebeden wordt. Het merendeel der dorpelingen verkeert in verwarring nadat de bisschop suggereerde, nee, vastgesteld had, dat de gehele gebeurtenis slechts het werk van de duivel kon zijn. De Heilige Maagd zou zich never nooit naakt vertonen. De kwajongens, nu volwassen mannen, zijn toegelaten tot de Orde van de heilige Boor. Als boetedoening werken zij drie weken per jaar als slaven voor de eigenaar van het kasteeltje waar dit alles plaats vond.

Op de plaats waar de holte ontdekt werd staat een albasten kopie, vervaardigd op aanwijzing van de pastoor, de kasteelheer en de notabelen.

Mijn circusact

De zon schijnt in de circuswagen op het moment dat ik wakker word. Ik hoor een leeuw brullen, buiten. De dompteur voert zijn grote kat. Leuk is het niet, dat gegrom maar het hoort er bij. Mijn maat komt me wekken, die dacht dat ik nog sliep. Samen doen we stretchoefeningen. Het commentaar en het lachen om mijn geklungel maken me eerst goed wakker. Ontbijten doen we doorgaans in de wat grotere wagen van een van de artiesten.
Maar niet vandaag. Iedereen zit aan een lange tafel die tussen de wagens gezet is. Gezonde spullen: verse jus, yoghurt en croissants met de jam die ik zelf maakte nadat we bij een boer in België fruit konden plukken. Enfin, we spreken de dag door. Een druk programma, de acts voor het middagprogramma.

Ik doe een acrobatisch clownsnummer,  sta lange tijd op éen been, het andere gestrekt omhoog. Dat weet ik niet, dat mijn ene been gestrekt omhoog staat. Ik ben gewoon met mijn maat aan het praten. Die duwt steeds dat been naar beneden, even zo hard schiet het weer naar boven, tot langs mijn oor, zodra jij loslaat. Hij ergert zich. Uiteindelijk gooit hij me naar een rekstok die ik vastgrijp en waar ik omheen slinger alsof er geen zwaartekracht bestaat. Dat oefenen we dus en ‘s middags kleden we ons mooi aan, veel schmink en glitter. Het maakt me een ander, een clown. Details kloppen niet, de buste van mijn pakje zit op mijn rug en mijn benen zijn allebei verschillend, het ene elegant, het andere lomp. Dat elegante been zal steeds de lucht ingaan.
Mijn maat heeft een zakelijke outfit, een streepjespak.  En een vreselijke clownskop met sjagerijnige schmink, grote geruite pet en te grote felgekleurde schoenen à la Chaplin.

Het publiek stroomt toe voor de middagvoorstelling en wij zijn als eerste aan de beurt. We moeten het publiek opwarmen voor de rest van de show. Dat is onze uitdaging. Krijgen we ze ontspannen en aan het lachen? Iedere dag gaat het anders maar vandaag klopt alles. Met wat extra moeite kunnen we een groep van Fortis, een dagje op pad gestuurd, erbij te betrekken. We krijgen ze geïnteresseerd. Daartoe hebben we een speciale stragegie. We halen een van de druktemakers uit het publiek en laten die mijn elegante been naar beneden drukken, waarna die meteen weer omhoog gaat. Dus gelach, de druktemaker wordt uitgelachen. Zo doen we dat.

Ik werk al jaren in het circus, vooral het rondtrekken, de wisselende landschappen en seizoenen, het overal en nergens thuis zijn, het ritselen en rommelen met beperkte middelen, ik voel me er wel bij. Maar ik wil ook wel eens wat anders. Ik schrijf in mijn vrije tijd teksten, komische teksten voor een stand-up comedian. De act is voor een oudere vrouw. Wel, ik word ook ouder. Het gaat over het verval van het lichaam en allerlei misverstanden rond oudere-vrouw-zijn. Vanavond bij de avondvoorstelling heb ik een try-out. Niet verkleed, niet nodig, denk ik. Ze lachen zo wel om me.

De vrijheid in het veld te lopen

 

Op een ochtend werd ik wakker en waren de gordijnen voor de ramen verdwenen. Ik ging rechtop zitten en zag ook geen ramen. Ik probeerde de dekens van me af te werpen maar die waren er niet. Ik greep in de vacht op mijn poten. Mijn poten over de bedrand, het kon niet. Ik ging op handen en voeten zitten en keek over de rand van mijn bed, zo door de grassprieten, een madeliefje hing over de rand. Boven mij zag ik het lover van een hazelaar.
De wind tekende met het blad patronen op de grond. Het was licht en blauw door het blad. De zon scheen en ik zat goed verborgen. Maar niet voor lang. Door het verse groene gras naderde een zwarte haas. hij had een pet op en een jas met koperen knopen aan. Toen hij bij mijn hol stond zei hij:
‘In naam van de gezamenlijk gekozen opperhaas beveel ik u mij uw vergunning voor de bewoning van dit leger te laten zien. Alle hazen moeten voorts een betalingsbewijs van het woonrecht, het ligrecht, het poeprecht, het afvoerrecht en het eetrecht laten zien, alsmede het bewijs dat het taxatiepapport klopt met de plek die de haas inneemt,’
‘O, zei ik, ‘Ik ben hier pas en- moet er nog aan wennen dat u het zo goed op orde heeft, hier allemaal. Waar ik vandaan kom, daar kon je zo in een huis trekken. Je rommelde wat met andere hazen, vooral met wie je aardig vond, en dan was het geregeld.’

De zwarte haas graaide in de binnenzak van zijn jas en haalde daar en zilverkleurig fluitje uit, waarop hij drie keer hard blies. Van twee kanten kwamen er hazen aan, allemaal in zwarte jas met koperkleurige knopen,
‘Code vijf’, zei de haas met de pet en de andere hazen bonden mijn poten samen.
‘Ja, kijk’, zei een dikke haas. Hij ging voor me staan en leek langzaam te groeien. ‘Ja, kijk’, zei hij, ‘u moet zich dat niet persoonlijk aantrekken. Maar regels zijn regels. In het kader van de preventiewet zijn wij verplicht u tijdelijk in de boeien te slaan. Het stelt niets voor en als alles in orde blijkt -en we nemen aan dat dat zo is- kunt u straks weer gaan en staan waar u wilt. Misschien is uw leger er nog.’

Vier hazen sleepten me weg en legden me neer onder een grote eik. Ik keek naar boven en zag een eekhoorn en een specht allebei kwaad naar me kijken.
‘Wij wonen hier. Wat kom jij hier doen? Een haas rent over de velden. Die gaat hier niet onder een stam liggen wachten tot een jager hem in de gaten heeft.’ De andere hazen waren al lang verdwenen.
‘Waar hebben jullie leren praten?’ vroeg ik de eekhoorn en de specht.
‘Stel geen dwaze vragen,’ zei de eekhoorn.
‘Goed’, zei ik, ‘dan nu een verstandige vraag: kunnen jullie mij losmaken?’
‘Makkelijk zat’, zei de specht, die op de touwen waarmee ik gebonden was neerdaalde en ze al aan het kapotpikken was. Toen de specht daarmee klaar was kon ik mezelf bevrijden.