Museum

Museum van mezelf. Tekst bij de ingang:

Lange toespraak bij een kort afscheid

” Ik ben een soepballetje maar onverteerbaar
omdat ik van plastic ben, niemand die het ziet.
Ik werd in geen enkele fabriek gemaakt
al zou je dat verwachten, wel in veel ontworpen.
En telkens volgens een ander recept.

Al die bedrijven zijn inmiddels failliet,
ik denk nog dikwijls aan hun schulden.
Aan mij zie je dat niet.

Ik ben een soepballetje, ik bleef maar drijven
dan weer op dan weer onder oogjes vet.
De soep was op smaak, zelfs lekker;
toen proefde men mij en stikte bijna,
zo werd ik gelukkig uitgespuugd.

Ik ben bij het wegspoelen van het laatste restje
in het gootsteenputje achtergebleven.
Wie mij nu probeert die raakt besmet. ”

Zo sprak het vóor de kat op het aanrecht sprong, er aan rook,
er tegen tikte (met de linker voorpoot), het in zijn bek nam, kauwde
en likkebaardend op zoek ging naar een volgend hapje.

De rest van het museum is gevuld met wat ze afwees
En dan nog een afdelinkje met wat haar ontglipte.
Een mooi zinnebeeld van een mensen leven. Even naakt sterven als geboren worden.

Installaties

1. Je ziet een ingericht 50-er jaren kantoor, door Kienholz, ontleent aan de situatie bij bierbrouwerij ‘de drie hoefijzers’ in Breda. Er staat een Remington aan een houten tafel en er liggen slordig geschreven brieven. Daarnaast ligt haar typediploma, maar de stoel is leeg.

2. Vervolgens zie je een uiterst sober ingerichte kamer. Het zonlicht schijnt door de bovenramen. Het onderste deel van het raam is zorgvuldig met rechtgestreken glasgordijnen van de straat afgeschermd. Er staat een houten tafel met daarover een wollen in moderne kleuren geweven reep stof die als tafelkleed dient. Een kruisbeeld aan de muur. Aan de tafel twee stoelen, op een ervan zit een novice, een in zwart geklede jonge vrouw. Onder het smetteloos wite ronde kraagje hangt een kettinkje met opnieuw een kruisje. Ze zegt:
‘Het enige wat ik eigenlijk mis, is dat ik niet zo maar in een appel bijten kan. Dat ik die eerst moet schillen.’ De andere stoel is leeg.

3. Het beeld verplaatst zich naar een straattafereel. In een dorpskern staat een apotheek. Daarachter, aangebouwd, een groot huis met een nog grotere tuin vol botanische planten. Aan de apotheekis rechts een drogist gebouwd. Het is een dubbele zaak. De apotheker zit in een zwarte bmw voor het pand. Hij zegt:
‘Omdat je arm en slim bent, ben je een goede partij. Jij in de drogist en ik in de apotheek. Dan worden we heel rijk.’ Hij zegt het tegen iemand die op straat loopt, waar enkele voorbijgangers beleefd naar groeten.
Wie dat is zie je alleen onder een bepaalde hoek. Het is een mevrouw in een bontjas. Het is een hologram.

4. Een vierde installatie betreft een expositie met drie zalen:

– een met tekeningen, illustraties in tijdschriften,
– een met cartoons en
– met objecten in klei en gips.
Als je door de ruimten loopt hoor je zachte muziek bij de tekeningen, protestliederen bij de cartoons en hardrock in de zaal met objecten.\De zalen zijn echter volkomen leeg. Hier en daar ligt een snipper papier, maar onduidelijk is wie het daar neergelegd heeft, waarschijnnlijk heeft een vorige bezoeker het laten vallen. Bij de derde gang, bij de uitgang hangt een soort intercom met daaronder twee knoppen.
Druk je het eerste in dan klinkt een stem:
‘Je moet het leven niet afbeelden, maar er zelf een kunstwerk van maken.’
De andere knop geeft slechts vier woorden: ‘Kunst wordt niet betaald.’

5. En wat haar ontglipte. Vanwege de tijd zag ik slechts éen ding:
Ze ligt in de berm op een houtwal ergens in de Achterhoek. De zon brandt te fel maar daar schijnt ze van te genieten. Even verder onder de bomen stijgt een rookpluim uit een verbrand bundeltje kleren, een plaatselijke gewoonte nadat een geliefde gestorven en begraven is.

CC BY-NC 4.0
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International License.