Joachim

Er was eens een jongen die Joachim heette en van zijn oom in een kiosk mocht werken. Het kleine, groene, houten kraampje stond op de hoek van in een drukke doorgaande straat in het centrum van Santiago. Zowel de binnen- als aan de buitenkant van het kraampje hing vol. Aan de buitenkant tijdschriften, kinderspeeltjes, loten van verschillende loterijen en binnen allerlei versnaperingen, chips, candy’s, pleisters en de belangrijkste merken binnenlandse sigaretten. Zelfs het smalle toegangsdeurtje, dat altijd open stond om het Joachim mogelijk te maken te voorkomen dat iemand iets zonder betalen meenam, hing vol spulletjes.
Joachim zat op een stoeltje dat net in de kiosk paste, met voor zich een vierkant open raam waarlangs verkoop plaats vond en de kassa, uit het zicht dat spreekt.
Bij iedere transactie, hoe klein ook, gaf de Joachim een reçuutje. Dat moet want zonder dat kon de regering geen belasting heffen en was de transactie illegaal. Tot zover alles normaal. Er waren zo honderden kiosken in Santiago, zo niet duizenden. Joachim was klein van stuk. Bijna alle mensen die passeerden waren klein en vaak een beetje dikkig. Het ging goed met het land . De voeding bestond uit vlees, groeten, fruit en vooral veel koolhydraten Aan vlees maten de mensen hun welvaart af, op koolhydraten letten ze niet. De jongen was nog slank, omdat hij jong was, maar niemand zag zijn postuur. Wat men wel zag was zijn krullenkop, een mooi hoofd vol zwarte krulletjes. De meeste mensen hadden hun haar stijl. Men kon zich in China wanen, als men niet op de ogen lette.

Iedere ochtend om zeven uur nam de jongen plaats in de kiosk. En om tien uur ‘s avonds ging hij met de inhoud van de kassa naar het huis van zijn oom. Snel dat hij dan liep. Niet alleen om mogelijke dieven te snel af te zijn, maar ook omdat zijn energie een uitlaatklep nodig had. Iedere ochtend kiosk om half acht kwam zijn oom. Met de bonnen en dagelijkse aanvulling bleef Joachim voorzien van de juiste hoeveelheden en de nieuwste kranten en tijdschriften. De oude die niet verkocht waren nam zijn oom mee terug.
Op een ochtend, nadat zijn oom vertrokken was, het zal een uur of acht geweest zijn, kwam er een man in een zwarte jas en een bolhoed op om een pakje Belmont. hij rekende af met een biljet van 10.000 peso’s. Een pakje sigaretten kostte 1200 peso’s. Joachim had daar niet van terug, nog niet.
‘Laat maar zitten,’ zei de man.
‘Ik zal het voor u bewaren.’, zei Joachim.
‘Hoeft niet’, antwoordde de man.
Dit herhaalde zich iedere dag zeker vijf weken lang. Joachim hield het bedrag apart want hij wilde voorkomen dat -mocht de man van gedachten veranderen- hij niet meer terug zou kunnen betalen. Al het wisselgeld dat de man niet terug wilde bewaarde hij in een apart beursje. Toen de man man niet meer verscheen verontrustte en verheugde dat de krullenkop. Hij bedacht wat hij met het geld, bijna 250.000 peso’s zou kunnen doen, mooie kleren kopen, op gitaarles. Of het geld aan zijn moeder geven zodat ze een keer naar de meren in het koele zuiden kon, iets waar ze het vaak over had, maar wat nooit kon omdat ze steeds maar bij vervelende rijke mensen het huishouden deed. Ook vroeg hij zich af of het geld niet aan zijn oom toebehoorde. Maar zolang niet duidelijk was, hoe de zaak met het teveel geld zich ontwikkelen zou, leek het verstandiger zijn mond te houden. Zijn oom was nogal inhalig en betaalde Joachim niet meer dan een zakcentje: ‘Je leeft immers bij je moeder. En haar geef ik ook geld.’

Nog nooit had Joachim zoveel geld bij elkaar gehad. De dagopbrengst was soms maar 30.000 peso’s. De jongen dacht dat de man met de zwarte jas en de bolhoed misschien een ongeluk had gehad, of zijn route gewijzigd zodat een andere kiosk met om acht uur ‘s ochtends natuurlijk ook geen wisselgeld nu van het voordeel profiteerde.
Na een paar dagen verscheen er een vrouw, meer een meisje nog, op exact hetzelfde tijdstip bij zijn stalletje.
‘Een pakje Belmont, el rojo.’ Ze gaf hem 10.000 peso’s.
‘Ik heb er niet van terug’, zei Joachim.
‘Laat maar zitten’, zei het meisje.
Joachim raakte enigszins in de war. Hij krabde zich door de krullen en glimlachte naar het meisje. Ook voelde hij zich schuldig. Hij had immers altijd nog het teveel betaalde bij zich, hij kon gemakkelijk terug van 10.000 peso’s. Zijn leven werd er niet eenvoudiger op. De lonkende perspectieven, de mogelijkheden die de nieuwe situatie hem bood en dat dan alles uit zou komen, verhinderden dat hij actie ondernam.

Iedere ochtend kwam het meisje. Steevast betaalde ze het pakje Belmont Rojo met 10.000 peso’s. Op een ochtend kon Joachim zijn mond niet meer houden en vroeg haar:
‘ Waarom betaal je toch altijd met een biljet waar ik niet van terug heb?’
Het meisje bloosde en glimlachte geheimzinnig: ‘Wij hebben alleen biljetten. Mijn vader geeft het me mee.’
‘O’, zei de jongen die het antwoord nogal vreemd vond, ‘Hoezo? Heb je geen munten? Je kunt toch munten terugkrijgen. En trouwens, kleinere biljetten, van 1000 of 5000 peso’s zijn er ook.’
‘Ja dat weet ik wel’, zei het meisje, ‘maar mijn vader houdt er niet van. Wij doen alles met biljetten van 10.000 peso’s.’
‘Nou, dan moeten jullie wel heel rijk zijn.’ De jongen vroeg zich af of hij geen onbehoorlijke opmerking maakte.
‘Nee hoor’, zei het meisje,’ rijk zijn we niet, maar arm ook niet. Mijn vader zegt altijd: het is dat het geld me op de rug groeit, anders zouden we heel arm zijn.’
‘Waarom komt je vader zelf niet?’ vroeg Joachim, ‘niet dat ik je niet graag zie, ik zie je juist heel graag.’
‘Mijn vader houdt gewoontes niet zo lang vol, tenminste dat zegt hij, volgens mij heeft hij heel veel gewoontes: een zwarte jas, een bolhoed, ieder dag een pakje Belmont, altijd die biljetten van 10.000 peso’s en nog veel meer. Maar hij zégt van niet. O ja, en hij zegt ook altijd dat ik naar deze stal moet om zijn sigaretten te halen. En dat ik wisselgeld niet accepteren mag.’
De jongen wist niet wat hij met de situatie aan moest” ‘O’, zei hij alleen maar.

Iedere dag keek de jongen naar het meisje uit. Als hij haar zag was er een glimlach op zijn gezicht en werden zijn ogen zacht. Ze maakten een praatje, over het weer, of over wat het meisje die dag zou gaan doen. Dat waren altijd gewone dingen: de tuin opruimen, haar moeder helpen, boodschappen doen, bij tante langs. Het leek of de hele wereld bestond uit die dingen, dagelijkse dingen, en het geld dat daar bij hoorde waren als appels aan de boom of het opkomen van de zon ‘s ochtends. De jongen werd steeds rijker. Nog steeds had hij niemand iets verteld, zijn moeder niet en al helemaal niet zijn oom. Op een nacht droomde hij dat het geld dat hij bewaarde vals was, dat hij opgepakt werd en alles aan zijn oom terug moest betalen, alles wat hij gratis weggegeven had, al die honderden pakjes sigaretten. Toen werd hij plotseling wakker, op het moment dat zijn oom met rondtollende ogen van woede Joachim bij de keel greep. Regelmatig keerde daarna de droom terug. En steeds beklemmender werd het gevoel waarmee hij ‘s ochtends ontwaakte.
Op een dag hield de jongen het niet meer, hij moest weten waar het geld vandaan kwam, of het vals was. Hij bedacht een plan. Hij zou het meisje volgen zonder dat ze het in de gaten had. Natuurlijk kon hij niet zo maar weg. Hij zou haar adres vragen. Tot zijn verbazing gaf ze het hem. Ze keek er niet eens vreemd bij op.

De jongen heette dus Joachim. Het wordt tijd het meisje ook een naam te geven: Clarissa. Iedereen heeft een naam dus zij ook. Joachim ging op de achttiende september naar het adres dat Clarissa hem gegeven had. Omdat het die dag de nationale feestdag van Chili was en er erg veel mensen in de kiosk zouden komen, had de jongen van zijn oom vrij gekregen. Joachim had ongeveer een idee waar hij de straat van Clarissa en haar vader moest zijn. In Quinto Normal had Clarissa gezegd en dat was maar goed ook. Er waren in Santiago vast veel straten die Manuel Perrera heetten. Joachim passeerde veel gebouwen die hij nog nooit gezien had en liep lang door een uitgestrekt maar smal park. Hij volgde een tijdlang de Mapoche, de rivier die dwars door Santiago stroomt.De tocht duurde en duurde. De metro kwam niet in Quint Normal. Bussen reden er niet vandaag. Steeds moest hij de weg vragen. Niemand had een plattegrond, bijna iedereen kende de straat. Een ‘commune’, een stad in de stad leek een schip op de oceaan. Zonder goede reden duik je niet in onbekend water. Joachim had die. Door het netwerk van wegen, straten en straatjes ging hij Quinto Normal door. Hij liep langs houten huizen zonder verdieping, golfplaten daken en verweerde verf. Ze hadden bijna allemaal gesloten gevels en voor de kleine ramen ‘regas ventanas’, hekwerk tegen inbraak. Deze straatjes waren ongeplaveid. Droog, geelgrijs zand, het stof dat er van opstoof bedekte zijn schoenen en langzaamaan zijn lichaam. Weinig bomen in Quinto Normal, een enkele voor of achter een huis. Geen grondwater in Santiago en dus dag in dag uit bewateren, dat moest. Dat hield maar een enkeling vol. De ‘commune’ liet dat noodgedwongen aan de bewoners omdat die arm waren en weinig belasting betaalden. Joachim liep in de brandende zon. Hij vroeg zich af hoe Clarissa het klaarspeelde zo mooi en fris te blijven, iedere dag opnieuw. En waarom ze van zo ver kwam.

Het waren stille straatjes met hier en daar een groepje opgeschoten jongens, die hem vreemd aankeken. Waar waren de vaders en moeders, waar de kleintjes, de meisjes, het was toch een feestdag? Geen vlaggen hier zoals overal elders aan de gebouwen, in de restaurants, in de rijkere buurten dan. Joachim voelde zich weinig op zijn gemak. Gelukkig had hij het geld veilig achtergelaten in een doos achter twee losse planken in de wand van zijn slaapkamertje.
Joachim kwam uiteindelijk in een doodlopende straat, Manuel Perrera. Hier moest het zijn. Nummer 283? De nummers liepen onlogisch door elkaar. Aan het eind van de straat was een blinde gevel met daarop in duidelijke cijfers 283. Joachim trok aan de bel naast de enige deur in de stenen wand. En opnieuw want er kwam niemand. Hij drukte tegen de deur die meteen openging en waardoor Joachim in een smalle gang kwam. Toen zag hij Clarissa. Ze stond er plotseling.
‘Hallo’, zei ze,’ Hoe gaat het? Kom verder.’
‘Mag ik me even opknappen? Clarissa, jij ziet er geweldig uit! Dat mag ik toch wel zeggen?’ Joachim zag dat Clarissa zich ongemakkelijk voelde onder het compliment.
‘Ja, natuurlijk, ga je gang. Hier is de badkamer voor gasten.’ Ze wees naar een van de deuren in de gang. Joachim ging er binnen en stond in een roze ruimte, veel lampjes in het plafond, sterren die honderdvoudig weerkaatsten in spiegels en op zacht glanzende tegels. Zoiets had hij nog nooit gezien. Bij hem thuis zaten in de badkamer ook wel tegels, maar niet overal, niet op de vloer en zeker niet zo schoon en gaaf. En er hing ook maar éen lamp. Joachim twijfelde: ’ Zal ik alleen mijn gezicht en handen wassen, of zal ik in bad gaan, of onder de douche.’ Er waren badhanddoeken, badjassen, verschillende soorten zeep, borstels om de kleren af te borstelen, kammen, tandenborstels nog in de verpakking. Joachim nam een douche. Hij hing zijn kleren aan een paar glanzend koperen haken en wast zich snel en handig. Hij stootte zich nergens aan want ruimte was er genoeg. De gebruikte handdoek van de stapel deed hij in een metalen bak met deksel ‘Zal ik mijn tanden poetsen en parfum opdoen? Nee, dat is voor anderen, voor mensen die hier horen.” Hij gebruikte wel de haardroger die op een plank boven de wastafel lag en die al aangesloten was op de wandcontactdoos. ‘Geen verzopen kat, zulke gasten willen ze niet.’ Hij borstelde zijn spijkerbroek en trui en ook zijn zwarte schoenen. Geen stof meer.

‘Zo, opgefrist?’ Kom.’ Clarissa stond aan het eind van de smalle lange gang hem op te wachten en Joachim volgde haar door de deur die uitkwam op een binnenplaats, nee een tuin, want er was een gazon onderbroken door groepjes bomen en struiken. In het midden lag een pleintje van ruwe stenen waarop een stuk of twintig mensen stonden of zaten. Er waren tafeltjes en stoeltjes. Kinderen renden tussen de bomen door en over het gras.
‘De tuin onderhouden is ook mijn werk, veel werk de komende dagen.” Clarissa lachte en liep met Joachim naar haar vader, die aan een van de tafeltjes met wat mannen in gesprek was, mannen die niet uit de buurt kwamen. Dat zag Joachim meteen. De vader van Clarissa stond op, schudde hem de hand en keek Joachim daarbij diep in de open. Een beetje te diep, vond Joachim. Clarissa stelde Joachim ook aan haar moeder voor, die verderop met twee vrouwen in gesprek was. De moeder van Clarissa kon wel uit de buurt komen, maar ze was veel jonger dan de vader van Clarissa, dat zag Joachim meteen. En Clarissa stelde hem aan nog enkele mensenvoor . Die vergat Joachim snel, want Clarissa nam Joachim mee terug het huis in. Hij was een belangrijke gast voor haar, anders zou ze zo niet doen. Het huis was groot, veel groter dan je van de straat af verwachten zou. Veel kamers met allemaal spulletjes, de wanden vol schilderijen, foto’s en heiligenbeelden. Joachim telde zeker tien kamers. ‘Heb je broers en zusjes?’
‘Nee, maar we hebben vaak gasten. En je hebt nog niet alles gezien. Mijn slaapkamertje bijvoorbeeld. Maar misschien komt dat later nog eens.’ Ze lachte ondeugend: ‘Nee, kom mee, iets anders.’

Ze gingen opnieuw naar buiten en Joachim zag nu dat er achter de bomen aan de linkerzijde van de tuin een pad liep, direct langs de hoge stenen muur, die witgekalkt zonlicht weerkaatste. Clarissa ging het pad af. Joachim liep achter haar aan. Aan het eind van het pad was een metalen deur, opgesierd met smeedijzer. Ze nam een sleutel uit haar zak en ontsloot de deur: ‘We doen hem met feesten op slot, anders verdrinken de kinderen in het zwembad.’
Ze kwamen in een volgende tuin, met aan een zijde, voor een groepje bomen het zwembad. ‘Je ziet hoeveel werk het is voor mij’, zei Clarissa. Mijn vader heeft gelukkig het bad afgedekt, anders bleef ik tijdens het zwemmen nog bladeren ruimen.’
‘O’, zei Joachim alleen maar.
‘Nu laat ik je de rest zien. Kijk, we hebben hier ons bedrijf en een gastenverblijf. Nee, eigenlijk twee, maar in een woont de medewerker van mijn vader. Hij is niet zo goed als mijn vader, maar dat komt nog wel.’ Ze lachte opnieuw ondeugend. Joachim wist niet wat er van te denken. Joachim keek rond. Wel, rechts was het zwembad, links twee deuren met aan weerszijden een groot raam. Aan de achterzijde een hoog gebouw van een verdieping met een waranda ondersteund door pilaren waarlangs druivenranken groeiden. Ze stonden in bloei met kleine witte bloempjes. Alles, de muren, de gebouwen waren prachtig wit geschilderd. In het midden van deze tuin lagen bloemperken met paadjes er tussen door. Deze tuin was nog mooier dan de eerste. Clarissa nam Joachim over een van de paadjes mee naar achteren. Ze gingen binnen in de bedrijfsruimte.
‘O, wat is het hier donker,’ zei Joachim.
‘Je ogen moeten nog even wennen. Kijk maar wat rond, dan ga ik even wat te drinken halen.’ Clarissa liep weg.

Joachim ging door de ruimte waar machines stonden, machines die hij nog nooit gezien had. Wel, hij kende helemaal geen machines. Hij zocht een lichtknop en vond die. TL-buizen, tientallen aan het plafond, floepten aan. Bakken met geld, allemaal biljetten van 10.000 peso’s, stonden op de grond. Opeen begreep Joachim alles. Verheugd realiseerde hij zich, dat er in zijn houten kistje echt geld zitten moest. Een pakje Belmont kost 1200 peso’s. Al maanden en maanden nam hij 8.800 peso’s mee naar huis, nooit 10.000 peso’s. Dat ze nooit gesnapt waren! Joachim begreep het niet. Drukpersen waren het. Hé, waar bleef Clarissa nou? Maar Clarissa kwam niet opdagen. De ijzeren poort naar de andere tuin was op slot. En toen Joachim begon te schreeuwen over de stenen muur naar de andere tuin, kwam uit een van de gastverblijven een man van een jaar of 80. ‘Kom,’ zei hij alleen maar. Hij nam Joachim mee naar binnen. Hij zette thee voor hem en gaf hem wat te eten, bsraood met tomaten. En hij liet Joachim zijn platencollectie zien. Duizenden langspeelplaten, in lange rijen in kasten opgesteld. De man koos er een uit, van Luciano Pavarotti.
‘Die heeft mijn moeder ook’, zei Joachim. ’We hebben thuis maar één langspeelplaat. Deze.’
De man omhelsde hem: ‘Mijn zoon,’ zei hij, ‘Je hebt net zulke krullen als ik had. Voor de rest lijk je sprekend op je moeder. Wat ben ik blij dat je eindelijk hier bent. Je hebt je eigen huis.’ De man nam Joachim mee naar het andere gastenverblijf. ‘Kijk, dit heb ik speciaal voor jou in laten richten. Zie je, een mooie kamer met televisie, een mooie slaapkamer, je eigen badkamer. En hier, een keuken. ’Niet dat je koken moet, er wordt voor je gezorgd. Clarissa doet dat. Maar ook andere mensen helpen je.’
‘U bent mijn vader niet. Mijn vader is opgepakt door soldaten van Pinochet. Die hebben hem uit een vliegtuig gegooid. In zee. Daar heeft mijn moeder nog steeds veel verdriet van. Ik weet zeker dat mijn moeder nooit zou liegen over zoiets.’ Joachim begon zich te realiseren dat hij in een onfrisse situatie verzeild was geraakt. ‘En denk maar niet dat ik blijf! En Clarissa dan? Clarissa leek zo aardig. Gelooft zij ook die verhaaltjes? Heeft zij een vuil spelletje met me gespeeld? En haar vader? Kunt u me niet gewoon laten gaan? Mijn moeder gaat ongerust worden, als ik er straks niet ben.’
‘Tsja’, zei de man terwijl hij door zijn dunne baard streek, ‘Nou noem je een heleboel problemen tegelijk. Wat je leren moet, in je leven, is ze een voor een oplossen. Dat heb ik ook gedaan. En zie hoe goed we het hebben. Ik heb zelfs een prachtige zoon.’

Joachim werd langzamerhand wanhopig. Wat begon als een feestelijke hoopvolle dag, dreigde een enge droom te worden. Hij begon al spijt te krijgen ooit de grote fooien bij de pakjes Belmont aangenomen te hebben. Het was de verwarring van zijn denken die hem bang maakte. Zijn overzichtelijke bestaan (mét het fraaie kapitaal dat hij op kon bouwen) dreigde hem te ontglippen. Hij was een misdadiger, een heler. Zijn oom had gelijk: niemand was te vertrouwen. Hij had zichzelf er in laten luizen.
‘Vertel me’, wat heb je met het geld gedaan. Het geld dat Clarissa je iedere dag bracht. En kijk niet zo bang. Neem liever een glaasje chicha. Chicha is een feestelijke drank voor een feestelijke dag. En een feestelijke dag is het! Of mag ik dat niet weten. wat je met al dat geld deed?’ De man streek onophoudelijk door zijn baard. En als hij eer mee stopte, bleef hij zijn baard vasthouden.
‘Ook zijn wenkbrauwen zijn grijs’, dacht Joachim. ‘Die bewaar ik in een kistje, mijnheer’, zei Joachim. ‘Ik zal ze u terugbrengen.’ De chicha liet hij onaangeroerd.
De man lachte. ‘Hij heeft een kunstgebit,’ dacht Joachim, ‘Zo oud en witte tanden, dat kan niet.’
‘Ik wist het wel. Ik wist wel dat je uit het goede hout gesneden bent. Hoewel: ‘hout?’. ‘De man keek even tussen zijn benen, zijn baard liet hij niet los. ‘Je moet nog veel leren, hoor ik. Van terugbrengen kan geen sprake zijn. Het is van jou, niet van mij, niet van je oom. Zelfs niet van je moeder. Je hebt het eerlijk gekregen.’
‘Het geld is vals! Het is geen geld. Straks komt het uit. Dan moet ik naar de gevangenis. Of mijn oom wordt opgepakt omdat hij met vals geld betaalt.’ Joachim realiseerde zich dat zijn situatie hopeloos was.
‘Nee, nee, nee, drie keer nee, want dat gaat allemaal niet gebeuren. Clarissa is naar jouw moeder toe om te zeggen dat jij je vader gevonden hebt en voorlopig bij hem blijft. Ze gaat daar van schrikken, maar ze zal tegen je oom haar mond wel houden. Laat hem zelf in die sigarettenkraam blijven. Later gaan we voor jouw moeder, mijn geliefde Mariella, zorgen.’
Joachim schrok, zijn moeder heette Mariella. ‘Ik ben moe’, zei hij, ’Mag ik gaan slapen?’
‘Maar natuurlijk, mijn jongen. Drink je chicha op, dan gaat het slapen beter.’
Dat deed Joachim.

Die nacht lag Joachim te woelen in zijn nieuwe bed. Hij stond op, kleedde zich aan en sloop naar buiten, de geldfabriek in. Door een luik aan de achterzijde ontsnapte hij. Het luik was hoog en hij moest zich door een ijzeren hekwerk wringen. Bij het neerkomen verstuikte hij een enkel. De achterzijde van het huis, of liever, van de geldfabriek kwam uit bij een goederenspoorweg. Ook ‘s nachts reden de treinen twee kanten op. Joachim nam de richting van zijn woonwijk en sprong op een van de wagons die langzaam passeerden. Voor de tunnel moest hij er af. Dat was nog het moeilijkste, want de maan scheen wel, maar het was ook bewolkt. En koud, in september zijn de nachten in Santiago erg koud. Zelfs met een jas aan. En Joachim was zonder jas.Toen de trein een bocht nam en nog langzamer ging, liet Joachim zich zakken en liep, of liever strompelde, hij in de richting van zijn huis. Gelukkig herkende hij de drukke straat waar hij in kwam, want ze was verlicht. En druk, overal feestende mensen. Het feest van de onafhankelijkheid zou dit jaar 4 dagen duren. Er zat ook een zondag tussen. Joachim moest nog zeker een uur lopen. Geld voor een taxi had hij niet.

Zijn moeder was nog op, hoewel het al na vieren ‘s nachts was. Ze zat aan de keukentafel en Joachim tikte op het raam. Blij dat ze was! Ze spraken tot 6 uur in de ochtend. Toen wist Joachim dat het een schande was geweest dat zijn moeder zwanger was van een oude man. Zij twintig, hij zestig. En hij wist van de grote verdwijntruc van zijn vader. Hoe die mensen geholpen had die door politie of militairen opgepakt dreigde te worden. Geholpen met nieuwe papieren en nieuwe adressen. Zijn vader was een knap graficus en nog slim ook. Hij ruilde families, zodat buren dachten dat ze gevlucht waren. Zo konden ze in een andere buurt met een nieuwe naam wonen. Toen wist Joachim dat zijn moeder destijds in het huis van de familie van zijn vader het huishouden deed. Dat zijn zijn oom vreselijk kwaad was toen zijn moeder zwanger bleek. Er schijnen toen vreselijke dingen met zijn vader gebeurd te zijn. Op een nacht kwamen politiemannen van Pinochet hem ophalen, zijn vader. Maar die was toen al weg, naar Argentinië gevlucht, dacht zij. Maar dát had ze haar broer, Joachims oom dus, nooit verteld. Ze verdacht hem er zelfs van Joachims vader verraden te hebben. Joachims oom was eerst vóor Allende en toen Pinochet de macht overnam, was hij eerst tegen maar later steeds en steeds meer voor Pinochet. ‘Maar je oom heeft steeds voor me gezorgd, zelfs het ziekenhuis en de keizersnede betaald toen jij geboren werd. Dat kunnen alleen maar rijke mensen betalen.’ Natuurlijk had ze geen geld om hem, Joachim, te laten studeren, zoals de kinderen van zijn oom konden, maar hij had toch maar mooi die baan in de kiosk gekregen. Van het geld dat zijn moeder met huishoudelijk werk bij rijke mensen verdiende, had ze nooit zo’n positie voor haar zoon kunnen kopen.
Toen was het zes uur , bijna tijd voor Joachim om op staan om naar de kiosk te gaan. Maar dat deed hij niet. Hij liep naar zijn slaapkamertje, waar hij het houten kistje achter de loszittende planken in de muur ophaalde en aan zijn moeder gaf. ‘Dit is voor jou’, zei Joachim. ‘Nu kun je van jouw broer dit huis kopen. Je hoeft zelfs niet meer te werken. Of je kunt een man kopen.’ Daar moesten ze samen erg om lachen.
‘Zeg maar tegen oom dat ik de loterij gewonnen heb, maar goed vertellen. Anders beweert hij nog dat ik de loten van hem gestolen heb. En zeg ook maar dat ik niet meer werken wil.’ En Joachim vertelde zijn moeder ook hoe hij aan het geld kwam. ‘Ja, je vader kwam uit een rijke familie. Zo rijk, dat ze dit gemakkelijk kunnen doen, jou zo veel voor een pakje sigaretten betalen. Weet je, je weet dat er bij de Mapoche een nieuw en heel groot winkelcentrum gebouwd wordt?’ Joachim knikte. ‘Daar staat een groot bord bij, met allemaal namen van wie dat doen en betalen. De naam van jouw familie staat daar ook tussen. Nou, dan weet je het wel.’
Joachim nam afscheid van zijn moeder: ‘Ik ben wel weg, maar niet ver. Zeg tegen oom dat ik naar Argentinië ben om mijn vader te vinden voor hij doodgaat. Dat ik vanuit Argentinië een brief kreeg, eigenlijk al lang geleden, maar nu met de gewonnen prijs weg kan.’Joachims moeder maakte een lekker ontbijt voor hem: omelet met tomaten en ham, geroosterd brood en chocolademelk.

Het was tegen tienen die ochtend toen Joachim weer terug was op de plek waar hij die nacht ontsnapte uit de geldfabriek. Het luik stond nog open maar het was uitgesloten dat hij het bereiken kon. Er was ook een metalen vergrendelde poort. Joachim luisterde en hoorde bedrijvigheid. Hij wachtte nog langer want hij wist niet wat te doen. Na ongeveer anderhalf uur -Joachim was dorstig en hij had ook tussen de rails gepoept- kwam er een soort van spoorwegbeambte, iemand in uniform, aan de ijzeren poort. Die stuurde hem weg. Maar Joachim liet zich niet wegsturen. ‘Ik ben de zoon van de eigenaar. Hij heeft me buiten gezet om na te denken’, zei hij.
De spoorwegbeambte klopte op de metalen deur met een paar langzame en een paar snelle tikken. Joachim wist dat je zo ook praten kon, maar de taal verstond hij niet. Het duurde even, toen ging de poort knarsend op een kier. De spoorwegbeambte greep Joachim bij de arm, zodat die niet weglopen kon. Joachims vader liet hen binnen: ‘Ah, ik zie dat je mijn zoon terug gebracht hebt. Goed werk.’

Joachim begon in de zaak van zijn vader met het ‘echt’ maken van geld: verfrommelen, in de grond graven, stof er over, volgorde wijzigen, van die dingen. Maar enkele jaren later, toen er weer zo’n grote mall gebouwd werd, was hij toch mooi een van de projectleiders. —

CC BY-NC 4.0
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International License.