Jean-Pierre en Mimi

Jean-Pierre en Mimi zijn kinderen van het licht. Hun oorsprong is onduidelijk behalve dat wie licht zegt bijna Jean-Pierre en Mimi zegt.
Niet dat de anderen niet van licht waren maar daarover gaat het hier niet. Wel over Jean-Pierre en Mimi, een tweeling die samen een compleet mens en dus tegengesteld waren.
Toen Jean-Pierre naar school ging, ging Mimi ook. Tot de poort. Jean-Pierre ging naar binnen en Mimi niet. Mimi maakte toeren door de velden en van boerderij naar werkplaats, van molen naar fabriek. Ze liet zich rondleiden en stelde de meest uiteen lopende vragen, zoals:’
‘Waarom bestaat uw kudde uit 99 schapen en niet uit 100?’
Of:
‘Hoe weet je dat dit 56 waterkannen zijn en niet 58 of 63?’
‘Bent u ‘s nachts wel een door blijven vissen omdat u dacht dat er een snoek van uw eigen lengte langs zou komen?’
‘Waarom gaat u geen brood eten? U heeft nu toch ook honger?’
Ook liet ze wel een paard uit de wei ontsnappen omdat ie zo hard achter haar aan rende terwijl ze langs het hek liep. Later ving ze het beest weer en bracht het naar de dichtstbijzijnde boerderij, waar ze een beloning ontving omdat de manegehouder al enkele malen in wanhoop bij de boer had aangeklopt met de vraag of die enig idee had waar zijn paard was.
De andere dag ging zij dan naar de manegehouder om te vragen wat hij de boer had gegeven voor het terugbezorgen van het paard. En vervolgens naar de boer om een mand appels op te halen:
‘Ik krijg nog een mand appels. Oh, en doe ook maar wat druiven. Die kan mijn moeder goed gebruiken.
Op school vroeg de bovenmeester aan Jean-Pierre op een ochtend:
‘Maar Jean-Pierre, jij hebt toch ook een zusje?’
‘Jawel, meester, maar die blijft thuis om mijn ouders te helpen. Vanavond vertel ik haar wat ik geleerd heb. En ik laat haar sommen maken. En als ze het fout doet, leg ik het nog een keer uit. Daarna geeft ze mij raadsels op.’
‘Wat voor raadsels?’
‘Nou, bijvoorbeeld, dat een muis tegen een hert zegt dat die hem nooit in kan halen. En dat het hert dan lacht en zegt dat het onzin is en dat ie hem 100 meter voorsprong geeft en dat het dan nog heel gemakkelijk is om hem in te halen. Maar dat dat nooit meer zal gebeuren.’
‘Nou, en wat zeg jij dan?’
‘Dat het er maar aan ligt hoe je het verloop ven de wedstrijd formuleert. Dat je de tijd in steeds kleinere stukjes op kan delen, zodat die muis altijd voor blijft.’
‘En wat zegt je zusje dan?
”Dat het hele verhaal er op neer komt dat dat hert zo dom is dat ie denkt dat ie de muis een voorsprong kan geven. Dat moet je nooit doen en altijd meteen gaan voor er misverstanden ontstaan. Dat het raadsel trouwens onzin is, dat ik maar eens aan moet tonen dat een sekonde korter duurt dan een sekonde. Zoiets.’
De bovenmeester zweeg en voelde zich ongemakkelijk:
‘Ga naar je klas, je komt nog te laat.’

‘Waarom ga jij niet naar school?’ vroeg Jean-Pierre Mimi een keer.
‘Ik kan jou beter vragen waarom jij dat wel doet, je pit uren geklemd in een bankje en je kringelt met een ijzeren punt zwart over een wit velletje gelijk een mot die de weg naar buiten niet kan vinden.’
‘Dat kan ik juist wel’. Jean-Pierre werd een beetje kwaad, ‘De wereld van de grote stad is vol magische tekens. In die magische tekens zit alles. Wat er niet in kan is niet de moeite waard. Of eigenlijk wel, er zijn ook dubbele tovenaars die tekens maken waarin het onzichtbare staat. Ik weet wel dat die vaak en veel ruzie met elkaar maken en dat die daarvoor goed betaald worden. Sommigen dan. Later ga ik veel geld verdienen. Misschien koop ik alle akkers van de grootste boer uit het dorp.’
‘Maar eerst die van de kleintjes. Da’s makkelijker’. Mimi keek slim en bedacht het volgende:
‘Wat ik ga doen is nog veel gemakkelijker. Ik hoef alleen maar mijn rokken op te tillen voor een rijke man. Dan maak ik hem nog rijker, want ik weet de weg in het dorp.’
‘Ik ga in de grote stad wonen bij het kasteel van de bisschop. Dan ga ik de mensen in de stad opdrachten geven omdat de bisschop anders zijn soldaten stuurt. En ook aan de dorpen in de streek. Ik ga een groot leger maken van iedereen die ik maar vinden kan. En ik leer ze twee dingen: bouwen en breken. Als het oorlog is gaan ze breken. Als dat klaar is bouwen, ook met de kinderen van de soldaten. Over 10 jaar heb ik een plan voor de bisschop gemaakt dat hij niet weigeren kan. En als hij dat wel doet ga ik naar de aartsbisschop. Of naar de kardinaal. Of naar de Paus.’
‘Ik zou meteen naar de Paus gaan’, zei Mimi, ‘Als je die in je zak hebt, heb je de anderen ook.’

Op een avond ging Mimi vissen in de Ance. Ze wierp haar stengel stroomopwaarts, dan kon ze eerst de zalm langs zien komen die ze ging vangen. Toen ze na een uur met de lieslaarzen in het water nog niet beet had, wist ze dat stroomafwaarts iemand van de familie De la Croix illegaal voor een avondmaal gezorgd had. Ze verkleedde zich en ging bij de hereboer langs die de visgronden van de communité gepacht had en regelmatig zalm uitzette. Ze nam een paar potten honing mee en de groeten van haar vader en of hij die nog eens met een bezoek zou willen vereren. Met haar onschuldigste lachje ratelde ze aan een stuk door, ook over het lekkere visluchtje bij De la Croix, dat je wel iets moest doen als je zo arm was.
De hereboer bezocht haar vader en prees de opmerkzaamheid en beleefdheid van Mimi en vroeg haar bij hem in dienst te komen.
‘Mimi gaat nu nog naar school en later wordt zij abdis van het klooster in Mont Ferrand, ‘ zei Mimi’s vader. ‘Ze is niet geschikt als boerenmeid. Maar ik zou het erg op prijs stellen als u haar aanbeval bij de bisschop.’
Zo gebeurde en Mimi was voorbestemd een groot heilige te worden, vond iedereen in het dorp. Af en toe bracht Mimi een vis naar de stroper in het bos. Ze wist hem altijd te vinden en ze lachten heel wat af. Omdat ze hem tips gaf waar hij het beste zijn konijnenvallen kon zetten en waar zijn vangst te verkopen en hem daarbij nooit bedroog, deed de stroper net of hij Mimi niet kende. Hij wilde haar niet bederven.

Toen de zomer over zijn hoogtepunt heen was werd Mimi verliefd op een vreemde man in de bossen. Ze herkende hem onmiddellijk van een droom die ze bijna iedere maand had. Hij stond met zijn geweer op een open plek. Hij had zijn jas uitgedaan en bloedde uit zijn schouder. Zijn krullen zaten verward. Mimi stond tussen de struiken met een mud aardappelen die een boer had gegeven nadat ze het hol van een vos aangegeven had. Ze vroeg waar hij vandaan kwam. Hij vroeg haar haar rok op te tillen.
‘Eerst je huis zien’, zei ze, ‘als je zegt waar je woont zal ik je de weg wijzen.’
Hij geloofde haar niet. Daarom vertelde hij dat hij uit Moravië kwam en dat het huis van zijn vader dichtbij de hemel lag.’
Mimi vroeg hem op haar te wachten. Ze zou hem de weg wijzen. Ze bracht de aardappels naar huis en trok haar mooiste kleren aan. Haar vader was op het veld en haar moeder op de markt om de oogst te verkopen: druiven, noten en zelfgebakken koekjes. Mimi wachtte haar broer bij school op en zei:
‘Ik ga naar Moravië. Daar woont een prins. Over een jaar ben ik terug. Zeg tegen pappa en mamma dat ik kosteres ben in Génève en dat ik over drie jaar kom vertellen of ik het klooster in ga.’
Ze verdween en wees de jongeman de weg naar Moravië. Ze verzorgde zijn wond goed, want hij was haar onderpand. Ze deed haar rokken niet omhoog maar hield
‘s nachts de wacht bij hem en zorgde voor voedsel en drinken onderweg, ‘uit naam van de koning van Moravië’ en met het geweer dat ze snel kon bedienen maar alleen in de bossen gebruikte om een haas of fasznt te vangen.Ze sliep kort en alleen wanneer er geen gevaar dreigde zoals een soldaat aan het front dat doet.

De nacht voor ze Moravië in gingen sloop ze binnen in het paleis van een beroemde parfumverbouwer. Ze wachtte tot het ochtend werd en het gezin aan de ontbijttafel verscheen. Daar zat ze met het geweer. Uitvoerig legde ze de patroon uit hoe gemakkelijk het was zijn kostbare geuren te stelen en gaf hem raad hoe zijn eigendommen mat kleine maatregelen te beschermen. Als beloning vroeg ze slechts de mooiste jurk van zijn oudste dochter en een klein flesje parfum. De dochter liet zien hoe ze haar haar kon doen en manicuurde haar nagels.
‘Later word jij mijn hofdame,’ zei Mimi het meisje en uit haar houding, rustig en beslist, en in haar nieuwe kleren klonk het overtuigend.
De tocht in Moravië was makkelijk. De prins wist er de weg. Hij vorderde een rijtuig omdat hij een dame niet te voet aan zijn vader voor kon stellen. Het gerucht dat de jonge Bojaar een vrouw zou trouwen van grote verfijning, snelde hen vooruit. De oude Bojaar die wist dat zijn zoon niet zonder meer te geloven was wilde het meisje op de proef stellen. Maar toen de platselijke chirurgijn bevestigde dat ze maagd was, geloofde hij het verhaal over haar familie die grootgrondbezitter in Frankrijk zouden zijn en haar broer legeraanvoerder bij de aartsbisschop van Turijn.
Jean-Pierre zat intussen op de Militaire Academie in Parijs en was geenszins van plan zich in dienst te stellen van het kerkelijk gezag, dat zijn langste tijd gehad had. Hij bood zijn diensten aan aan de keizer van Oostenrijk, waar hij blijk gaf van groot militair inzicht. Toen de keizer Moravië wilde veroveren, wist hij daar een bloedige oorlog te voorkomen door met Mimi te gaan praten.De van oorsprong Russische Bojaar zou zich onderwerpen aan Oostenrijk. Ik ruil daarvoor zouden zijn troepen toegevoegd worden aan de Oostenrijkse om de Balkan verder te onderwerpen.
Jean-Pierre en Mimi kochten het hele dorp in Frankrijk op en bouwden een klein kasteel voor hun ouders.
Toen pas vertelde Jean-Pierre dat Mimi nooit naar school ging vroeger en dat hij haar alles wat hij wist geleerd had en zij hem.

CC BY-NC 4.0
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International License.