Het zoutmeer

Rozemarijn liep op het lange lege zandstrand. Eindeloos en nog veel verder golfde het verlaten land voor haar uit. Maar Rozemarijn zelf was niet verlaten. Achter haar liep Jasmijn die witte zoetgeurende bloemen uitstrooide, bloempje voor bloempje. Gelukkig was het windstil. Naast Jasmijn liep Sable d’Or. Eigenlijk heette hij Henk, maar ‘Sable d’Or’ vonden ze mooier. Zeker nadat Henk aan het begin van hun tocht, daar waar het zand aan de palmen grenst, een gigantische woestijnroos vond. Hoe die daar terecht gekomen was, Joost mag het weten, want de plek lag uit de wind. Iemand moest het gevaarte daar neergelegd hebben. Rozemarijn liep voorop want, zo zei ze:
‘Ik weet hoe je lopen kan om aan het grote meer te geraken.’ Af en toe deed ze haar hand boven de wenkbrauwen en na anderhalf uur riep ze: ‘Ja, daar!’
’Jeetje, had je niet van te voren kunnen zeggen dat het zo ver zou zijn? Ik had een behoorlijke partij bloemen bij me. En kijk nou eens.’ Jasmijn hield de mand van fijngevlochten palmblad open.
‘Er is nog genoeg over om er een welkomsbegroeting van te maken, als zo dadelijk het grote meer aan onze voeten ligt’, zei Sable d’Or. Hij verpulverde er een tussen zijn vingers. ‘Lekker’, zei hij.

Ze baggerden nog een knap kwartiertje door en geraakten aan het uitgestrekt meer. Zo groot, het had makkelijk een zee kunnen zijn. Het meer had een chagrijnige bui, behoorlijk chagrijnig kan je wel zeggen. Het bewoog niet. Het staarde hen met ijzige ogen aan, wit ook, helemaal wit.
‘Hallo meer’, zei Rozemarijn, ‘Wij komen van onder de palmen vandaan en zijn toe aan een opfrisser.’ Voor de voeten van Rozemarijn verschoot het meer van kleur, werd van ijzig lichtblauw rose.
‘Kijk, hij bloost’, zei Jasmijn en strooide een paar bloempjes op de zilte blos. Nu klonk er een gekraak. het meer opende zijn mond. Een klein mondje, maar toch. In die mond zagen ze het azuurblauw dat je van water verwacht. Sable d’Or wilde er meteen in, maar Jasmijn hield hem tegen.
‘Ik ga’, zei ze, ‘maar eerst nog een paar bloemen. Dat deed ze. En verder opende het meer de mond. Er kwam uit zijn keel een visje bovendrijven, een piepklein blauw visje met een rond lijfje en grappige klein zwemvinnetjes. Het piepte:
‘ Niet doen. Ga weg. anders wordt je net zo blauw als ik. Ik lijk wel een vis, maar ik ben al lang een bootje geworden. Ik kan alleen maar schelpjes overvaren.’
‘Maar wij kunnen toch zwemmen’, zei Sable d’Or.
‘Nou, dan moet je het zelf maar weten’, zei het bootvisje. ‘Hier, dit zal je nodig hebben.’ Het visje spuwde een miniatuurhandje van Fatima uit.
‘Kijk dan’, zei Rozemarijn. Ze nam het handje van het zand in haar hand. ‘Alles wordt hier hard. Niet alleen het meer, ook het gelukshandje is helemaal van metaal geworden. Laten we gaan, voor dat wij in zoutpilaren veranderen.’

Maar Jasmijn lachte hard en sprong zo pardoes in de blauwe mond van het meer. ‘Joehoe’, ze zwaaide met haar armen terwijl ze verder in het water weggleed. Toen verdween ze in de diepte.
‘Nu moet jij’ zei Rozemarijn, ‘Jij bent een man, dus jij moet er achter aan. En trouwens, het is jouw vriendin.’
‘Ja, ja, geëmancipeerd, behalve als de nood aan de man komt. Dan is het ‘help, help’.’ Het gekibbel tussen die twee nam een aanvang. Het liep hoog op, want eigenlijk mochten ze elkaar al niet zo. Nou ja, schandelijk. Ze vergaten helemaal dat Jasmijn in de diepe donkere mond van het meer lag te verdrinken. Wie weet wat er met haar gebeurde. Het viel mee, hoewel dat niet een hen lag. Jasmijn kwam boven op een grote lichtblauwe bootvis. Die had precies dezelfde kleur als het water. Precies de maat van Jasmijn ook. Ze sleurden Jasmijn van de vis op het zand, want ze bewoog niet. Ze wreven haar schoon, met bloempjes. Dat hielp. Toen ze de vis bedanken wilden, was die verdwenen. Het chagerijnige meer had zijn mond gesloten. – -

CC BY-NC 4.0
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International License.