Het schooiersvers

Vanaf mijn prunen billendoek liet ik de abactus zeven maal het schooiersvers lezen. Ze gaf me een labardaan toe. Die gooide ik op mijn bord.
‘Als je dan toch iets doet doe het dan goed,’  beet ik haar toe.
‘Jij blootaard’, zei zij op haar beurt, ‘zeven maal ben ik rond Jericho gelopen maar de stad heb ik niet in elkaar zien zakken. Te merel en vanille bremstokjes. Als beloning gaf ik een prachtig beest, een voorwereldlijk volijn met poezelige gootjes. En jij wil dat beest op je bord hebben. Boomhijgers en rabijten zal je bedoelen.’
Met de hegel stalde ik het versboek achter de tritsgerolde bandgenoot.
‘Zo, dat zal ze leren’, dacht ik maar zeggen deed ik niets. Ik had een reis naar Libernia in gedachten en daar wilde ik haar niet bij hebben. Te hegel, te vlegel en te fluks. Wilde ze zeker ook nog een copla met droesige finsterveer. Ze kon me wat. Had ik niet alle touwtjes in handen? Was ik niet te vlerig voor haar? Ze had toch maar het schooiersvers gereciteerd en op nasale toon in de middelton laten overborrelen. Het zou deze persoon moeten zijn die haar een labardaan kado deed, een kortbochelige uit de schrijnwerkersvallei. Dat zou eerlijk zijn, meer verveteren van dankdansjes. Het slagersmes kon ze er zelf bij halen. Wie van de drie togenhaantjes verwachtte dat ik van mijn botte bijl een veelvlijmig zwaard smeden zou?
Terwijl ik dit zo overwoog en ook vanuit mijn ooghoeken een cornielje met asmatische spit zag sputteren kwam de abactus met een klein meisje aan haar hand de viervouwige deur in.
‘Oma wijntje’ zei het kleine meisje. We waren zo vertoveneerd dat de klinaklinkers uit de slangenaren tesamen een dansje deden. Iedereen lachte, zelfs de labardaan die over zijn poezelige hinkhompers stapte en pardoes op zijn deurdoor terecht kwam. Daar bleef hij tot het kleine meisje op hem sprong en hem kietelde’
‘Hola, hallo’, genoeg was te veel. Hij stond op en wandelde de liefaard in waar wij hem nakeken tot het kleine meisje zei: ‘weg is weg.’
Wie daar iets tegen in kan brengen mag het nu zeggen. We knipten het schooiersvers uit zijn kader en ruilden de letters net zo lang tot er averij in de scheepvaart verscheen. Wel uit de zeventiende eeuw, dat spreekt. We hielden het leuk. Het veelvlijmig zwaard hield zich voorlopig koest.

CC BY-NC 4.0
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International License.