De vrijheid in het veld te lopen

 

Op een ochtend werd ik wakker en waren de gordijnen voor de ramen verdwenen. Ik ging rechtop zitten en zag ook geen ramen. Ik probeerde de dekens van me af te werpen maar die waren er niet. Ik greep in de vacht op mijn poten. Mijn poten over de bedrand, het kon niet. Ik ging op handen en voeten zitten en keek over de rand van mijn bed, zo door de grassprieten, een madeliefje hing over de rand. Boven mij zag ik het lover van een hazelaar.
De wind tekende met het blad patronen op de grond. Het was licht en blauw door het blad. De zon scheen en ik zat goed verborgen. Maar niet voor lang. Door het verse groene gras naderde een zwarte haas. hij had een pet op en een jas met koperen knopen aan. Toen hij bij mijn hol stond zei hij:
‘In naam van de gezamenlijk gekozen opperhaas beveel ik u mij uw vergunning voor de bewoning van dit leger te laten zien. Alle hazen moeten voorts een betalingsbewijs van het woonrecht, het ligrecht, het poeprecht, het afvoerrecht en het eetrecht laten zien, alsmede het bewijs dat het taxatiepapport klopt met de plek die de haas inneemt,’
‘O, zei ik, ‘Ik ben hier pas en- moet er nog aan wennen dat u het zo goed op orde heeft, hier allemaal. Waar ik vandaan kom, daar kon je zo in een huis trekken. Je rommelde wat met andere hazen, vooral met wie je aardig vond, en dan was het geregeld.’

De zwarte haas graaide in de binnenzak van zijn jas en haalde daar en zilverkleurig fluitje uit, waarop hij drie keer hard blies. Van twee kanten kwamen er hazen aan, allemaal in zwarte jas met koperkleurige knopen,
‘Code vijf’, zei de haas met de pet en de andere hazen bonden mijn poten samen.
‘Ja, kijk’, zei een dikke haas. Hij ging voor me staan en leek langzaam te groeien. ‘Ja, kijk’, zei hij, ‘u moet zich dat niet persoonlijk aantrekken. Maar regels zijn regels. In het kader van de preventiewet zijn wij verplicht u tijdelijk in de boeien te slaan. Het stelt niets voor en als alles in orde blijkt -en we nemen aan dat dat zo is- kunt u straks weer gaan en staan waar u wilt. Misschien is uw leger er nog.’

Vier hazen sleepten me weg en legden me neer onder een grote eik. Ik keek naar boven en zag een eekhoorn en een specht allebei kwaad naar me kijken.
‘Wij wonen hier. Wat kom jij hier doen? Een haas rent over de velden. Die gaat hier niet onder een stam liggen wachten tot een jager hem in de gaten heeft.’ De andere hazen waren al lang verdwenen.
‘Waar hebben jullie leren praten?’ vroeg ik de eekhoorn en de specht.
‘Stel geen dwaze vragen,’ zei de eekhoorn.
‘Goed’, zei ik, ‘dan nu een verstandige vraag: kunnen jullie mij losmaken?’
‘Makkelijk zat’, zei de specht, die op de touwen waarmee ik gebonden was neerdaalde en ze al aan het kapotpikken was. Toen de specht daarmee klaar was kon ik mezelf bevrijden.

CC BY-NC 4.0
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International License.