De spanningsboog

De spanningsboog (met dank aan Mireille Geus)

A. Handelingen
B. Gedachten
C. Flash back
D. Non-verbale confrontatie
E. stilte voor de storm, inzoemen op een detail
F. Confrontatie.
G. Einde

Het misverstand

A. Ans en Truus komen bijna tegelijk binnen. Ans ziet Truus misschien, misschien niet. Ans hangt haar jas in de verste garderobe, een zwarte jas met een zwart-rood sjaaltje. Ze poedert de neus en stift de lippen. Daarna loopt ze regelrecht op haar ouders af. Ze kust ze allebei op de wangen.
Truus en haar echtgenoot aarzelen bij binnenkomst. Ze kijken wat rond en gaan daarna terug naar buiten. Ze praten met elkaar. In de verte komen twee mannen in hun richting. Ook zij gaan op de feestzaal aan. Als ze Truus en haar echtgenoot zien, lopen ze wel door maar negeren hen.

B. De mannen zeggen niets tegen elkaar en Truus denkt: ‘Mooi wel op de bruiloft komen. Dat zal me wat worden straks. Ans zal er ook wel zijn. Ben benieuwd of ze nog iemand bij zich heeft. Dat zal wel niet. Maar geroddeld zal ze wel hebben. Klaas en Teun negeren ons, Dat is ook niet voor niets.’
Ans zit bij haar ouders en kijkt een beetje angstig om zich heen: ‘Hoe zal het gaan? Truus heeft natuurlijk de brutaliteit hier te verschijnen. Ze is altijd daar waar haar verschijning ongewenst is. Hebben pap en mama niet gezegd dat ze haar nooit meer wilden zien?’

C. Ans ziet weer voor zich hoe Truus flirtte met Willem. Willem haar prachtige jongen, waar ze drie jaar achter elkaar mee op vakantie was geweest. Ze zouden gaan trouwen, natuurlijk. Nooit maar dan ook nooit had ze kunnen vermoeden dat Truus haar Willem zou verleiden. Op een zondagavond, nadat Ans van de repetitie van het kerkkoor eerder thuis kwam vond ze Truus en Willem in hun slaapkamertje. Naakt, allebei naakt. Huilend had ze het huis verlaten. Op zoek naar papa en mama. Die waren nergens te vinden. Dat was heel raar. Papa en mama waren op zondagavond altijd thuis. Klaas, haar broer, woonde in de binnenstad, vlak bij de kunstacademie. Die was wel thuis. Later bleek Truus zwanger van haar Willem. Dat zei Truus, maar Willem ontkende. Willem wilde haar, Ans.

D. Ans ziet in de verte Truus binnenkomen. Ze heeft een man bij zich. eerst herkent ze hem niet. Maar dan plotseling wel: ‘Wat is hij kaal geworden, die Willem. En dan die buik.; Och God, double brested, nog een patser ook.’
‘Ik blijf gewoon staan’, denkt Truus. “Als ze hier durft te komen, zal ze het weten ook. Daar is Klaas, gelukkig is Klaas er ook. Dan kan ze zich op hem richten, haar zus laten zien hoe goed ze omgaan met elkaar, papa, mama, Klaas en zij. Dan zal ze wel zien dat het helemaal geen probleem is voor papa en mama dat Klaas inmiddels met Teun getrouwd is.” Truus is in een vuurrode jurk, wat smakeloos en te opzichtig is voor de gevoelige smaak van haar ouders.

E. Op haar borst prijkt een broche, een broche die opgebouwd is uit parels, ingelegd in geëmailleerd goud, natuurlijke parels, rommelig gevormd in een reeks pasteltinten die de bloemhartjes vormen van het boeket dat de brocher voorstelt. De broche is een erfstuk en zit zo maar op het decolleté van de rode jurk.

F. Truus loopt naar haar ouders, Die kijken verward. Het lijkt of ze hun kind niet herkennen.
‘Mama, mama’, zegt Truus. Tranen lopen lopen over haar wangen. Ze omarmen elkaar en ook mama heeft tranen op de wangen.
‘Papa, papa’, zegt Truus. Er verschijnt een flauw lachje op papa’s gezicht. Hij geeft zijn dochter een formeel handje. Dan keert Truus zich om, recht achter haar staat Ans. Truus wil Ans omarmen, maar Ans negeert dat gebaar. Ze trekt de broche van de jurk van Truus, zo fel en gericht dat de jurk scheurt. Een zwartkanten b.h. wordt zichtbaar, maar de broche heeft Ans:
‘Heb je niet genoeg gestolen? Eerst mijn man en dan nog mama’s juwelen?’
De omstanders staan als versteend. Door de stemverheffing van Ans kijkt iedereen op, ook de ooms en tantes, de neefjes en nichtjes die her en der verspreid aan de tafeltjes zitten.
‘We dachten al: waar blijven ze toch?’
Een oom, een broer van mama, maakt die opmerking en hij voegt er aan toe:
‘Kom op luitjes, je kan niet altijd kwaad blijven.’ Hij staat op en loopt op Ans toe; hij wil met haar gaan dansen, maar Ans verzet geen stap.
‘Ga jij maar met hem dansen,’ zegt Ans en geeft Truus een duw. Willem heeft intussen zijn pochette uit zijn colbert gehaald en hangt dat over de schouder en borst , de gescheurde jurk van Truus.
“Kom’, zegt hij, ‘Hier moeten we niet zijn.’

G. Ondertussen is haar broer Klaas met zijn partner Teun ook gearriveerd. Teun slaat zijn arm om Ans heen.
‘Meisje, meisje toch,’ zegt hij, ‘Het wordt toch wel eens tijd om vrede in de familie te stichten. Hij gebaart met zijn hoofd naar de ouders die verbouwereerd het geschreeuw en getrek gadegesloegen. Teun gebaart ook naar Klaas. Klaas knikt. Teun neemt Ans mee naar een stil tafeltje.
‘Weet je Ans, je zus was niet zwanger van jouw Willem, maar van mij. Ik wist toen nog niet dat ik op je broer was, maar omdat jij zo’n stampij maakte, en steeds maar volhield dat het Willem was die je met je zus had gezien, vervreemdde je gaandeweg jouw Willem van je. Je dreef hem rechtstreeks in de armen van je zus.”

CC BY-NC 4.0
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International License.