De drilboor

Er was eens een degelijke drilboor. Veel had hij gezien: betonnen muren vol kiezel en roestig ijzer, ongedierte in kruipholen, het flakkeren van een kortsluiting aan zijn staart, kalk in zijn gewrichten, een vastgelopen motor en de opgezwollen aderen op de slapen van zijn baas. Keer op keer was hij opgelapt, schoongemaakt. Hij ging in zichzelf geloven, vooral als hij weer eens een lekkere onderhoudsbeurt had gekregen, Ingesmeerd, dat voelde goed.
De drilboor hield van zijn baas, een forse 40-er en voor geen kleintje vervaard. Die vond geen klus zo ingewikkeld of hij vond er wat op, een handigheidje waardoor hij een onmogelijk probleem in een wip op kon lossen. De drilboor was al 10 jaar van zijn baas en meestal was hij onmisbaar, een gaatje boren deed hij zonder nadenken, maar hele muren slopen, ging daar maar eens aan staan. Nou hij wel, de drilboor. Zijn baas kon op hem vertrouwen, door dik en door dun.

Maar laatst, zijn baas had hem ingezet bij het uitbreken van een eeuwenoude muur.
Aanvankelijk verliep het gesmeerd. Nou ja, hij was ook net gesmeerd. Een nieuwe boor had hij in zijn kop gekregen, eentje met diamant, het hardste van het hardste. Hij glom van trots. En die muur, och wat was ie dik, stenen, mortel en stukken graniet. Die muur stond dus in een kasteeltje en de bedoeling van zijn werk was dat van twee vertrekken een grote gemaakt zou worden. Ja, ja, de eigenaar had het pas gekocht. Die was zo rijk, dat hij dat liet zien in de omvang van de kamers. Het was de eerste muur, de bovenste helft had ie tevreden brommend weggehaald, zich steeds aanpassend aan de steensoort en hardheid. De onderste helft van de muur daar ging het om. Hij stuitte ergens in het midden van de muur op iets waar hij onmogelijk doorheen kon. Zijn baas, Jan heette hij eigenlijk maar dat doet er nu niet toe, voelde in het gat waarin hij bezig was. Hij voelde een oppervlak, glad als gepolijst graniet. Hij pakte een zaklantaarn en zag niets, geen graniet, niets, gewoon een nis. Die kon onmogelijk een probleem vormen. Baas liet hem een beetje er om heen boren, dat ging wel. Kwam hij echter in de buurt van de holte dan kon hij onmogelijk verder. Vreemd eigenlijk, maar baas was een praktisch man en liet hem alles wegboren, alles er omheen. De hele muur ging er aan.

Er lagen brokstukken grijze, groene, rode stenen, stof, cement en gruis. Gruis waar je maar kijken kon. Met grote scheppen ging dat alles in kruiwagens en vervolgens over een paar houten planken zo, hops, in de laadbak van de de vrachtauto van baas. Enfin, toen baas alles bijeengeveegd had en er dus een grote ruimte van voorheen twee kamers overbleef, kon je toch niet gewoon van de ene naar de andere kant. Waar die holte geweest was zag je niets maar je kon er ook niet doorheen, alleen er omheen. ‘Baas’ riep de de eigenaar van het huis er bij en nog andere mensen. Ze schopten tegen de holte, die natuurlijk geen holte meer was, alles er omheen was holte, ja toch? Ze krabden op hun hoofd, ze lachten, ze fronsten hun wenkbrauwen. Ze begonnen te fantaseren en allerlei verhalen naar boven te halen en anderen schudden dan weer hun hoofd. Ze haalden een brandslang en spoten water, maar ook water ging er niet doorheen. Ze draaiden de kraan lager en lieten het water er over heen lopen. Waar het water liep was het net was het net of je naar een glazen beeld keek, de gestalte van een vrouw, een naakte vrouw met lange haren, de handen gevouwen voor haar schaamte.

Ze riepen de pastoor er bij en die zei dat het een wonder was en dat het beeld in de kerk thuishoorde, zoals alle echte wonderen. En ze bevallen ‘baas’ onder de voeten het beeld weg te halen. dat moest de drilboor dus doen. Verschillende boren kreeg de boor aangemeten. Het werk vorderde langzaam, heel langzaam. De boor ging diep de bodem in, maar het werd hem te veel. De boor zag overal lichtjes, hoorde knarsen en piepen en toen begaf ie het: geen weerstand meer, volstrekt opgebruikt.

Een paar dagen later kwamen de eigenaar van het kasteel, de andere mannen en de pastoor weer. Ze overlegden langdurig met elkaar.
De eigenaar van het huis heeft van de vertrekken een kapel gemaakt. Overal hingen kruisbeelden, en voorstellingen van de heilige maagd Maria. De holte was nu een beeld geworden, ze omhingen de vrouw met fraaie kleding. Er brandden kaarsjes en van verre oorden kwamen mensen het beeld vragen hun kwalen te genezen. Eens per jaar, op Maria Hemelvaart, werd de kleding van het beeld verwijderd. Onder gregoriaanse klanken, met wierook en andere geuren, en onder een uitgelezen belichting, viel uit het plafond een zachtruisend water dat de contouren zichtbaar maakte. Uitsluitend voor genodigden.
In de hal naar de kapel stond op perkament de geschiedenis van de de ontdekking. de drilboor hing er naast. Baas had al lang een andere gekocht.

Nawoord:
Op een nacht werd de boor meegenomen door twee kwajongens. De dag daarop lag de kleding van de heilige maagd vormeloos op de grond. Na een speurtocht kwam de boor geheel gedemonteerd, onherstelbaar vernield, terug bij de eigenaar van de kapel. Ook al probeerden ze de drilboor weer in elkaar te zetten, er gebeurde niets meer.
Sinds kort, sinds een jaar of vijf, bestaat in het dorp de Orde van de heilige Boor. Die voert een ritueel op waarbij na veel lichamelijke inspanning tot Eva gebeden wordt. Het merendeel der dorpelingen verkeert in verwarring nadat de bisschop suggereerde, nee, vastgesteld had, dat de gehele gebeurtenis slechts het werk van de duivel kon zijn. De Heilige Maagd zou zich never nooit naakt vertonen. De kwajongens, nu volwassen mannen, zijn toegelaten tot de Orde van de heilige Boor. Als boetedoening werken zij drie weken per jaar als slaven voor de eigenaar van het kasteeltje waar dit alles plaats vond.

Op de plaats waar de holte ontdekt werd staat een albasten kopie, vervaardigd op aanwijzing van de pastoor, de kasteelheer en de notabelen.

CC BY-NC 4.0
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International License.