Bollie Wiebel

Er was eens een kriebelig mannetje dat gek was. Niemand wist waarom. Was hij gek van kriebeligheid? Of had iemand hem gek gemaakt en veinsde hij kriebeligheid. De huid van zijn armen lag open en waar nog vel zat zag je rode strepen lopen. Voor de rest wist men het niet. In het dorp fluisterde men dat het onder zijn kleren erger was nog.

Op een keer stonden er twee kinderen voor zijn  deur. Ze riepen naar hem. Ze veronderstelden hem achter de gesloten gordijnen:
‘Bollie Wiebel heeft de kriebel.
Kom naar buiten, anders gooien wij je ruiten.
Na na na na na.’

Maar Bollie was niet thuis. Hij liep met zijn jachtgeweer, meer voor de sier dan om te schieten. Het ding was nogal oud. Hij liep er mee door het bosje achter de grote watermolen op zoek naar konijnen of ander klein wild. De takken, afgewaaid onder de laatste herfststorm kraakten onder zijn voeten. Bijna struikelde hij bij zijn klim over een grote tak dwars over het karrespoor waarlangs hij liep. Zijn jas, een versleten colbert nog van zijn vader zaliger, viel open en daar onder zat een vaalblauw overhemd met geronnen bloed. Een schoen bleef haken achter wat uitstekers en hij trapte met zijn andere in een plasje water.  Het kleurde onmiddellijk rood. Bollie Wiebel wurmde de schoen tussen de bladeren vandaan: ‘Hier komen jij, straks loop ik nog op mijn blaren in plaats van op jouw zool.’

Hij vond een patrijs in een konijnenstrop. Die leefde nog en keek niet al te gelukkig:
‘Ik dacht: hee een patrijspoort. Maar nee. Zie je, ik ben geen konijn, maar vergissen kan ik me nog veel beter.’
‘Jou verkoop ik aan de boer’, zei Bollie Wiebel. Hij greep de vogel bij zijn vlerken en ontdeed hem van de strop. Onder zijn ene arm klemde hij het beest, aan zijn andere het jachtgeweer. De boer woonde niet ver, het bos uit en een akker oversteken. De hond met  de valse blik en ontbloot gebit zat gelukkig in een kooi. De boerin was op het erf bezig melkbussen uit te spoelen. Ze bood 5 munten voor de patrijs en dat vond Bollie Wiebel goed. Toen hij wegliep van de boerderij hoorde hij iets achter zich. Hij keek om, de boerin had het beest de nek omgedraaid. Op zijn terugweg keek hij in het bosje nog even zijn stroppen na. Niets.

‘Morgen weer kijken, dan maar’, zei hij hardop.

Op de landweg terug naar huis stond een menigte mensen, geen grote menigte -zo veel mensen woonden er niet in het dorp- maar toch. Bollie aarzelde even, maar zijn nieuwsgierigheid won het van zijn angst. Het jachtgeweer lei hij in de slootkant:
‘Van dat volk is weinig goeds te verwachten en eentje heeft er vast een bij zich die wel schiet.’

Zijn ruiten waren inderdaad ingegooid en daar kreeg hij de schuld van. Boer Stinse die thuis 7 kinderen had begon er mee:
‘Zo , daar heb je hem. Gauw weggelopen, hè, toen je die twee van ons zag. Kan je wel, met stenen gooien? Onze Gerrie heeft zijn hele hand onder het bloed.’
‘Dat maakt hèm niets uit,’ riep een ander.
‘Hij houdt er van, van bloed.’ De vrouw die dat zei opende zijn colbert en zag de bloedvlekken.
‘Kijk, hij heeft gevochten. Net wat onze Tonnie zei.’  Boer Stinse kwam op hem af: ‘Trek uit die jas. Wij willen het allemàal zien.’ Hij begon aan zijn colbert te rukken. Een paar anderen hielpen hem. Toen scheurden ze zijn overhemd van het lijf en ook de rest van zijn kleren. Bollie Wiebel kon geen kant op. Naakst stond hij daar, overdekt met schrammen, korsten en bloed. Alleen zijn schoenen had hij nog aan.
Een vrouw riep: ‘Maar dat kan toch allemaal niet van het vechten met de jongens komen?’ Boer Stinse liep dreigend op haar af:
‘Die man is gek, die doet rare dingen met onze kinderen. Hij moet weg.’
Een andere vrouw riep: ‘Weg, weg. Bollie is gek. Bollie moet weg.’
Bollie probeerde in zijn huis te komen, maar de meute versperde hem de toegang. Ze wezen naar zijn piemel en lachten er om. Ze pakten stokken en prikten er mee in zijn kapotte lijf. Bollie Wiebel probeerde weg te komen maar kon niet door de omsingeling heen breken. Zijn wonden gingen open en er kwamen nieuwe bij. Angstig en wanhopig keek hij om zich heen. Boer Stinse zei:
‘Kom mensen, kom, kom, laat die gek in zijn huis. Er staan hier ook kinderen.’ Inderdaad stonden er een paar kinderen met open monden en wijdopen ogen te kijken naar de naakte Bollie. Een paar jongetjes deden mee met het prikken met stokken. Vrouw Veraart greep haar zoontje die een stok aan het zoeken was: ‘Naar huis, jij, moet je ook zo worden?’ De jongen duwde zijn moeder van zich af.

Achter de menigte klonk een schril gefluit. De veldwachter. Enkelen keken er om en stootten elkaar aan. De politiefluit snerpte maar door en langzaam werd het stil en week de massa uit elkaar. Daar stond Bollie Wiebel, zijn handen voor zijn geslachtsdelen geslagen.
De veldwachter toonde hem zijn politiepenning en zei op plechtige toon:
‘Mijnheer Wiebel, hierbij arresteer ik u wegens naaktloperij. Mensen, ga naar huis, deze arrestant valt nu onder mijn gezag.’
De menigte droop af, sommigen staken nog hun tong naar Bollie Wiebel uit.
Bollie en de veldwachter gingen het huis van Bollie binnen. Binnengekomen hield de veldwachter de hand voor zijn neus en mond:
‘Vlug, jij,’ zie hij, ‘ga je aankleden. Zo kan je niet mee.’

Bollie Wiebel rende naar boven om zich aan te kleden. Gelukkig hingen er wat kleren over de waslijn op de overloop. Hij keek nog uit het raam aan de achterkant maar er stonden nog steeds mensen. Hij rende naar zolder maar nergens een plek om zich te verbergen, niet echt. Op de stoffige vloer zag hij een foto van zijn moeder liggen, die waarop ze een witte kanten jurk droeg. Hijj stak hem in zijn zak, pakte nog twee zakdoeken uit de kast en een pakje pruimtabak dat hij in een Chinese vaas bewaarde en klom door het dakraam naar buiten.

CC BY-NC 4.0
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International License.